Natuursteen in de kijker: blauwe hardsteen in de diepte

Blauwe hardsteen is waarschijnlijk het best gekende gesteente in België, toch? Iedereen kent de dorpels, platen, tegels, bestrating of de fijn afgewerkte tafel- en keukenbladen. Blauwe hardsteen kan alles, zeg maar. Maar wie ként de steen ook echt? Laten we eens een kijkje nemen van dichtbij.

Tropische zee

Wanneer ik natuursteen introduceer bij mijn studenten, start ik de les steevast met het tonen van een blokje blauwe hardsteen en de bijhorende vraag ‘wie kan me wat vertellen over dit stuk steen?’. De antwoorden zijn legio: ‘dorpel’ en ‘arduin’ (in de volksmond – eigenlijk wil dit zeggen ‘hard gesteente’).

En dan komt het. Op het bord projecteer ik een foto van een tropische zee, met enigszins vreemde organismen. Het is een reconstructie van de zeebodem meer dan 340 miljoen jaar geleden, die door geologen Carboon werd genoemd. Dit is niet zomaar een stukje steen, dit is een fossiele (sub)tropische zee, geboren vóór het tijdperk van de dinosauriërs. België, en eigenlijk de hele noordwest Europese regio, ligt op dat moment nog onder water ten zuiden van de evenaar, in een (sub)tropisch klimaat.

Op land heersen de flora en de eerste insecten en het water kent een ongebreidelde diversiteit aan leven. In een ondiep stukje van de zee floreren diverse organismen en het is belangrijk om er minstens één van te introduceren: de crinoïde of de zeelelie, een organisme verankerd aan de bodem. Met zijn stengel en bladvormige kelk ziet het er uit als een plant, maar eigenlijk is dit een dier. Tussen de vele crinoïden vinden we allerlei schelpen, koralen, algen en zo meer. Wanneer ze afsterven, blijven hun skeletjes achter op de kalkrijke zeebodem. Daar worden ze snel bedekt door de volgende generatie. Zo ontstaan meerdere pakketten van fossielen in een kalkmodder, die na wat geologisch krachtenspel zo diep worden begraven dat ze compacteren en verharden.

Deze lagen uit het Carboon spreiden zich uit in de ondergrond van Zuid-België tot Engeland en Ierland. In België komen ze aan de oppervlakte in de provincies Henegouwen en Namen. In Ierland wordt een gelijkaardige gesteentesoort ontgonnen in het graafschap Kilkenny. Aziatische blauwe steen heeft geologisch geen connectie met deze afzettingen.

Crinoïdenkalksteen

De blauwe hardsteen is dus een kalksteen. De steen is zo belangrijk, dat het de moeite loont om even in te zoomen op dit specifieke type. De aanwezigheid van fossielen uit zich als witte tekeningen in een fijne, donkere kalkmatrix. De witte tekeningen kunnen soms glanzen, waardoor de geologen in de 19e eeuw de vergelijking maakten met een graniet en het gesteente ook ‘petit granit’ noemden. Tegenwoordig spreken we van een crinoïdenkalksteen, vanwege het veelvuldig voorkomen van deze fossielen.

De doorgedreven compactie zorgde ervoor dat blauwe hardsteen een dens en ‘hard’ gesteente is, met een bijkomend fenomeen: stylolieten. Dit zijn fijne adertjes in een zaagtandpatroon die eigenlijk een gesteentelitteken voorstellen. Op de plaats van zo’n litteken is een gesteentepakket zeer traag opgelost en zijn de onoplosbare bestanddelen, de kleien, geconcentreerd achtergebleven. In vakjargon worden ze ook zwarte lijnen genoemd in dwarse doorsnede, en zwarte vlekken in parallelle doorsnede. Ze vormen geen probleem wanneer er oordeelkundig en vakkundig mee wordt omgegaan.

Veelzijdig erfgoed

Blauwe hardsteen heeft zich een eigen identiteit aangemeten. De regio rond Soignies, waar tegenwoordig de grootste Belgische groeves nog actief zijn – Écaussines en Feluy hebben zich ontwikkeld in en rond oude ontginningen. Hier vinden we nog steeds de relicten in het landschap, die we als landschappelijk erfgoed kunnen beschouwen.

In de stadskernen vinden we materiële en immateriële relicten van hele steenhouwersfamilies en -tradities. De steen word al enkele eeuwen gebruikt in verschillende monumentale toepassingen, maar de grote nationale doorbraak komt er vanaf de 19e eeuw. Sindsdien is de steen niet meer weg te denken uit het straatbeeld. En het erfgoed zit hem soms in de details: in eeuwenoude toepassingen vinden we soms de unieke merken terug van de steenhouwer die de steen bewerkt heeft.

Afwerking

Blauwe hardsteen kan op alle manieren afgewerkt worden, van ruwe oppervlakteafwerking tot helemaal gepolijst. Het uitzicht van de steen verandert daarbij van mat blauwgrijs voor ruwe oppervlakken tot diepblauw, glanzend zwart voor gepolijste oppervlakken. Naarmate de steen vlakker wordt afgewerkt, komen ook de witte tekeningen beter tot uiting. De diep donkere kleur heeft de steen te danken aan de fijne kalkmatrix. Bij langdurige blootstelling gaat het koolstof in de buitenste millimeters oxideren en krijgt de steen een grijzer patine. Dat is echter een proces van vele jaren en wisselende klimatologische omstandigheden, waardoor dit geen bedreiging vormt voor hoogwaardige binnenafwerking.

Toepassingsgebieden en onderhoud

Blauwe hardsteen heeft niet echt beperkingen zolang er oordeelkundig omgesprongen wordt met de natuurlijke structuren, zoals stylolieten en aders, die in de steen zitten. Het WTCB heeft een Technische Voorlichting gemaakt voor de Belgische markt: TV 220: Belgische Blauwe Hardsteen of “petit granit” uit het Tournaisiaanse geologische tijdperk. Het moet een geoloog van het hart… het Tournaisiaan is geen tijdperk maar een etage. Dat doet echter geen afbreuk aan de inhoudelijke kwaliteit van deze Technische Voorlichting. De steen wordt gebruikt in openbare ruimte en private woningen, constructief en decoratief, in binnen- en buitentoepassingen en is bestand tegen vorst. Ondanks zijn hoge mate van compactheid en hoge sterkte, blijft het een kalksteen. Dit wil zeggen dat de steen gevoelig is aan zuren. Zure huishoudproducten of -artikelen zijn dus te mijden. Gepolijste afwerkingen kunnen mat worden bij intensief gebruik, of krassen vertonen van zand in de schoenen of metaal op een werkblad.


Tekst: Tim De Kock (ARCHES UAntwerpen; Inspect BV)