Belgische tegels tussen 1850-1960: een succesvol exportartikel

De tegelsector is internationaal een bloeiende sector en nog steeds in volle ontwikkeling, waarbij België nauwlettend in het oog wordt gehouden als het gaat om architectuur en interieur. Waar ons land vandaag volop tegels importeert uit zuiderse of oosterse landen, was het ooit omgekeerd.

De oude Belgische of Vlaamse tegel zoals we die kennen uit het Renaissance tijdperk en die we nog steeds kunnen bewonderen in statige herenhuizen of winkels daterend uit de Belle Epoque, was van de 14de tot en met de 20ste eeuw een geliefd en waardevol exportproduct dat wereldwijd zijn tentakels heeft uitgespreid.

Speciaal voor de lezers van Polycaro schrijft kunsthistoricus Mario Baeck geregeld een stuk waarin hij een tipje van de sluier oplicht die al lang als een stoffig doek over dit prachtige Made in Belgium product was gevallen.

Ongemeen groot succes

Export van keramische vloer- en wandtegels kent in ons land een lange geschiedenis. Wanneer het in de 12de eeuw de gewoonte werd om gebouwen van een harde vloerbedekking te voorzien, gebeurde dat zeer geregeld met keramische loodglazuurtegels die in kleurrijke patronen werden gelegd. Het succes ervan, ook in het buitenland, was ongemeen groot. Tienduizenden monochrome en ingelegde ‘Vlaamse tegels’ werden vanaf midden 14de eeuw tot midden 16de eeuw door Belgische tegelbakkers naar Frankrijk en Engeland uitgevoerd. Dit enorme exportsucces herhaalde zich vanaf het midden van de 19de eeuw, nu met drooggeperste industriële vloertegels in steengoed en faience wandtegels voorzien van kleurrijke decors.

geschiedenis belgische tegels

Vanaf 1850 kwam in België een belangrijke keramische vloertegelproductie op gang. Na de bekroning van de eerste ingelegde steengoedtegels van Boch Frères uit La Louvière op de wereldtentoonstelling te Londen in 1862, groeide de fabriek al snel uit tot één van de belangrijkste Europese producenten. Om de Franse markt zonder douanebelemmeringen te kunnen bedienen, bracht Boch de productie van deze ‘encaustic tiles’ al snel over vanuit La Louvière naar Louvroil bij Maubeuge, net over de grens met Frankrijk. Ook richtte men een handelskantoor te Parijs op terwijl heel wat buitenlandse tegelhandelaars, tot in New York toe, ze aan het grote publiek aanboden. De vestiging in Maubeuge leverde rond 1880 zelfs de noodzakelijke winsten op om de verlieslatende fabriek in La Louvière in stand te kunnen houden.

Belgische vloertegels reizen de wereld rond

Dit grote succes leidde al snel tot het ontstaan van een groot aantal concurrerende fabrieken in België en Noord-Frankrijk. Nagenoeg alle Belgische vloertegelfabrieken exporteerden een belangrijk deel van hun productie. Via een netwerk van lokale agenten raakte de Belgische vloertegel over zowat de hele wereld verspreid.

Zo kon de S.A. La Nouvelle Céramique Amay, opgericht in 1907, in een Duitstalige prospectus van na 1931 uitpakken met tientallen buitenlandse referenties waaronder scholen, kloosters en kerken, banken, hotels, grootwarenhuizen, theaters maar ook laboratoria, fabrieken, stations en andere gebouwentypes in Nederland, Nederlands Indië, Frankrijk, Finland, Estland, Letland, Zwitserland,Spanje, de Kanarische Eilanden, Cuba, Mexico, Engeland en Ierland, Canada, Australië en Brits Indië.

Perzische invloed

Ook de Belgische keramische wandtegelindustrie kreeg vanaf de jaren 1870 een belangrijke impuls. Daarbij sloot men aanvankelijk vooral aan bij de traditionele ‘Delfts blauwe’ tegels. Al gauw echter kwamen naast neogotische of neorenaissance ontwerpen ook door de Perzische of Oosterse kunst beïnvloede tegels op de markt. Het aanbod liep parallel met de groeiende waardering voor polychromie in de architectuur. De diverse mogelijkheden van de industriële wandtegel in België werden vooral vanaf het laatste decennium van de negentiende eeuw en met name in de Art Nouveau-architectuur ten volle benut.

20 miljoen Belgische tegels voor export

Bekijken we de gehele Belgische wandtegelnijverheid, dan kunnen we vaststellen dat omstreeks 1900 naar schatting zowat een derde van de totale productie van faiencetegels, die op 19 tot 20 miljoen stuks per jaar werd geraamd, naar het buitenland werd geëxporteerd. Daarbij was Nederland na Argentinië de belangrijkste afnemer.

Ook Spanje moet tot de belangrijke afzetgebieden gerekend worden. In 1933 staat België namelijk tweede op de Spaanse importlijst voor tegels en bouwkeramiek, na Duitsland maar vóór Engeland, terwijl er toen geen Spaanse producten naar ons land werden ingevoerd.

geschiedenis belgische tegels

De belangrijke overzeese handel werd sterk gestimuleerd door het feit dat bouwmaterialen frequent als ballast voor de vanuit Antwerpen uitvarende schepen fungeerden. Voor de handel naar Latijns Amerika is bekend dat naast cement, de zeer gewaardeerde Belgische marmers, spiegel- en vensterglas, ruw zink en ijzer, bakstenen, buizen of dakpannen ook massaal tegels werden geladen. In Buenos Aires vinden we onder meer heel wat materiaal van Helman terug – vertegenwoordigd door de concessiehouder Compañia Comercial Sud – naast tegels van Utzschneider Jaunez et Cie uit Jurbise en Boch Frères. Onderzoek ter plaatse toonde aan dat een kwart van alle geïdentificeerde faiencetegels van Belgische origine waren.

Made in Belgium

De export werd gestimuleerd door de sterke aanwezigheid van de belangrijkste fabrieken op wereldtentoonstellingen en vakbeurzen, en door de verspreiding op grote schaal van aantrekkelijk vormgegeven catalogi waarin het aanbod aan vakmensen en klanten werd gepresenteerd.

Gezien het enorme belang van de export werden Belgische tegels, om te kunnen voldoen aan de vele buitenlandse douanereglementeringen, doorgaans voorzien van de oorsprongsvermelding ‘Made in Belgium’.

Verder werden de handelsmerken van de meeste Belgische tegelfabrieken zeer geregeld internationaal geregistreerd. Archiefgegevens van Gilliot & Cie uit Hemiksem vermelden voor de periode 1939-1970 onder meer Argentinië, Belgisch-Congo, Brazilië, Hongarije, Indonesië, Marokko, Mexico, Oostenrijk en Tsjechoslowakije. In de jaren 1920 was nagenoeg de helft van de Gilliotproductie bestemd voor export onder meer naar Buenos Aires, Montevideo, San Francisco, Curaçao, Leopoldstad, Tunis, Matadi, Johannesburg, Singapore, Hongkong, Manilla, Sidney, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Zwitserland en de Scandinavische landen.

Teloorgang door Italiaanse concurrentie

De bloei van de ganse Belgische tegelnijverheid hield stand tot aan de crisisjaren van het interbellum. De export werd van dan af aanzienlijk bemoeilijkt door steeds stringenter wordende import- en exportbeperkingen en kartelvormingen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd al snel duidelijk dat de Belgische tegelindustrie in de steeds grootschaliger wordende economische ruimte niet meer kon concurreren. Met name de massale invoer van veel goedkopere tegels uit onder andere Italië was hier mede verantwoordelijk voor. Bijna alle Belgische tegelfabrieken sloten in de jaren 1950 en 1960 noodgedwongen de deuren of stopten met de productie. Hierdoor ging een bloeiende Belgische industrietak teloor.


Foto’s: Mario Baeck