Een woordje uitleg bij constructie- en verdeelvoegen

Bedrijven die gespecialiseerd zijn in de plaatsing van vloerbedekkingen uit natuursteen of keramische tegels worden vaak geconfronteerd met de aanwezigheid van voegen waarvan de benaming en de functie niet altijd even duidelijk gedefinieerd zijn. Dit maakt het voor de bouwprofessional niet eenvoudig om te bepalen welke rol deze voegen precies spelen, welke omvang hun bewegingen kunnen aannemen en hoe ze behandeld moeten worden.

Bewegingsvoegen

De voegen die bestemd zijn om de relatieve bewegingen van de gebouwstructuur of van de niet-hechtende dekvloeren en vloerbedekkingen toe te laten, worden bewegingsvoegen genoemd. Afwerkingsvoegen hebben dan weer tot doel om het oppervlak af te werken door de ruimten tussen de tegels op te vullen. Dit laatste voegtype komt in dit artikel evenwel niet aan bod. Bewegingsvoegen kunnen nog verder onderverdeeld worden in:

  • constructie- of ruwbouwvoegen
  • verdeelvoegen

Constructie- of ruwbouwvoegen

Onder ‘constructievoegen’ of ‘ruwbouwvoegen’ verstaan we doorgaans de voegen die de draagstructuur van een gebouw verticaal onderbreken. Deze voegen hebben tot doel om het gebouw in meerdere onafhankelijke delen te verdelen en zodoende een horizontale of verticale differentiële beweging mogelijk te maken. Aangezien deze voegen diverse functies kunnen vervullen, krijgen ze verschillende benamingen.

  • Men spreekt van uitzet- of dilatatievoegen om de voegen aan te duiden die in de structuur van een lang gebouw uitgevoerd worden om te vermijden dat de horizontale bewegingen ten gevolge van de thermische uitzetting of krimp (hydraulische of uitdrogingskrimp) van het bouwwerk dermate groot zouden worden dat ze aanleiding zouden geven tot spanningen en eventueel ook scheurvorming. De op te vangen potentiële beweging kan bepaald worden door middel van de formule ter berekening van de lengteverandering van materialen, zoals besproken in § 2.2.2.1 van de TV 266. Wanneer het gebouw meer dan 30 meter lang is, moet er gewoonlijk een uitzetvoeg voorzien worden.
  • Men spreekt van zettingsvoegen om de voegen aan te duiden die uitgevoerd worden wanneer:
    • de draagstructuur van het gebouw onderbroken wordt op plaatsen waar de funderingen onderhevig zijn aan differentiële belastingen
    • de funderingen op een verschillende diepte gelegen zijn
    • het draagvermogen van de bodem verschillend is.

In dit tweede geval lopen de differentiële bewegingen verticaal. De omvang ervan kan echter niet door middel van een eenvoudige theoretische benadering berekend worden, omdat dit aspect eveneens afhangt van de samendrukbaarheid van de grond. In voorkomend geval is het aan het studiebureau om de omvang van de zetting van de verschillende gebouwdelen en bijgevolg ook de door de voegen op te vangen differentiële zetting in te schatten. In tegenstelling tot de thermische bewegingen die cyclisch en dus repetitief zijn, zijn de bewegingen die veroorzaakt worden door een differentiële zetting vaak onomkeerbaar.

Gelet op de veelheid aan mogelijke bewegingen die in verschillende richtingen kunnen lopen en waarvan de omvang aanzienlijk kan verschillen, is het van cruciaal belang dat de plaatser van de vloerbedekking de constructievoegen zonder verspringingen en zonder breedtevermindering doortrekt in de dekvloer en de vloerbedekking.

In de regel moeten er over de hoogte van de dekvloer en de vloerbedekking en zelfs van de onderliggende laag thermische en/of akoestische isolatie geprefabriceerde voegen uitgevoerd worden, die opgebouwd zijn uit een dubbel hoekprofiel waarvan beide delen verbonden worden door middel van een elastomeer (zie afbeelding 2). Vervolgens moet er ter hoogte van het oppervlak een elastische kit aangebracht worden.

Verdeelvoegen

Verdeelvoegen hebben enkel betrekking op de vloerbedekking en de dekvloer waarop deze aangebracht is. Zoals uitgelegd wordt in Infofiche nr. 46 (WTCB), moeten dergelijke voegen louter voorzien worden bij zwevende dekvloeren (d.w.z. dekvloeren die uitgevoerd zijn op een thermische en/of akoestische onderlaag) of niet-hechtende dekvloeren (bv. door de tussenplaatsing van een polyethyleenfolie).

Deze voegen hebben tot doel om het vloeroppervlak in kleinere stukken op te delen ter beperking van de spanningen die voortkomen uit de thermische bewegingen en/of de krimp (hydraulische of uitdrogingskrimp) van de vloerbedekking en de dekvloer.

Naargelang van hun functie of hun plaats krijgen ze een specifiekere benaming:

  1. Wanneer men naar hun functie verwijst, spreekt men bijvoorbeeld van krimpvoegen, scheidingsvoegen of uitzetvoegen (het gaat in dit geval om de uitzetting van de dekvloer en de vloerbedekking, en niet van de gebouwstructuur)
  1. Wanneer men naar hun plaats verwijst, spreekt men dan weer van randvoegen of omtrekvoegen. Bij niet-hechtende dekvloeren en vloerbedekkingen moeten de verdeelvoegen uitgevoerd worden volgens de aanbevelingen uit de TV’s 179, 213 en 237.

Wanneer de dekvloer wel aan de ondergrond hecht, is het uiteraard nutteloos en zelfs af te raden om dergelijke voegen uit te voeren, zoals ook vermeld wordt in voormelde Infofiche.


Bron: WTCBContact 2019/4