Tegels voor de wereld. De Belgische tegel op de wereldtentoonstellingen

Wie vandaag een idee wil krijgen over het wereldwijde aanbod van vloer- en wandtegels kan elk jaar terecht op gespecialiseerde vakbeurzen zoals Cevisama (Valencia Spanje – februari 2018), Coverings (Atlanta, USA – mei 2018) of Cersaie (Bologna Italië – september 2018), en er zijn natuurlijk de mooi geïllustreerde vaktijdschiften en sinds de jaren 1990 zeker ook het internet. Maar hoe kreeg men vroeger eigenlijk weet van nieuwe trends?

In de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw waren de elkaar opvolgende wereldtentoonstellingen, telkens in een wisselend land, daarvoor de uitgelezen gelegenheden. We kijken even terug naar dat specifieke gebeuren en ontdekken daarbij enkele belangrijke evoluties op weg naar de hedendaagse tegel.

geschiedenis wereldexpo

Matthew Digby Wyatt, The industrial arts of the nineteenth century. A series of illustrations of the choicest specimens produced by every nation, at the Great Exhibition of Works of Industry, London, Day & Son, 1851-1853, plaat 128, collectie M. Baeck.

Handelstentoonstellingen zijn zo oud als het wegennetwerk, wordt wel eens gezegd. Dat is niet helemaal onterecht aangezien de vandaag internationaal vermaarde Messe Leipzig teruggaat tot 1165 en dus enkele jaren geleden kon terugblikken op 850 jaar werking. Ook in onze gewesten groeiden de stedelijke jaarmarkten al van in de Middeleeuwen uit tot belangrijke en ook internationale uitwisselingsplekken. Feit is dat ingelegde loodglazuurtegels uit Vlaanderen met Nederlandstalige spreuken in de 16e eeuw hun weg vonden naar Kent in Engeland en dat kleurrijke Spaanse tinglazuurtegels eerder al hun weg naar onze streken vonden.

Vanaf het eind van de 18e eeuw werden nationale industrietentoonstelling stilaan gebruikelijk. De eerste industrietentoonstelling in Frankrijk vond in 1798 plaats in Parijs, telde 110 deelnemers en liep 3 dagen. In België vond een gelijkaardige tentoonstelling voor het eerst in 1803 plaats, ter gelegenheid van het bezoek van Napoleon Bonaparte aan de stad.

Ingelegde vloertegels

De eerste echte wereldtentoonstelling – de zogenaamde Great Exhibition – vond evenwel pas plaats in 1851 in Londen: 6,2 miljoen bezoekers konden gedurende 144 dagen kennismaken met de meest diverse producten vanuit een groot aantal landen samengebracht op een oppervlakte van 73.150 m². Tussen de enorme overvloed aan producten op alle gebieden vielen ook de prachtige ingelegde vloertegels uit plastische klei van Herbert Minton in het oog, die algemeen als een belangrijke vernieuwing werden gezien.

Op de wereldtentoonstelling van 1862, eveneens in Londen, presenteerde Boch Frères uit La Louvière echter dé wereldprimeur op dit gebied: de ingelegde drooggeperste vloertegel, die er bekroond en geprezen werd omwille van de eenvoud van de motieven, de grote hardheid en de zeer gunstige prijs.

geschiedenis wereldexpo

De indrukwekkende stand van de Manufacture de Céramiques Décoratives op de wereldtentoonstelling van Brussel in 1897 (Bruxelles Exposition. Organe Officiel de l’Exposition Internationale 1897, nr. 25, 6 september 1897, p. 295), collectie M. Baeck.

Een andere wereldprimeur – de veelkleurige cementmozaïektegel – werd dan weer voor het eerst aan het publiek voorgesteld op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1867 door het Franse Usine Lafarge. Twaalf jaar later op de wereldtentoonstelling van 1878, eveneens te Parijs, was het aanbod daarvan gegeneraliseerd en ook opgepikt door een aantal Belgische fabrikanten waaronder Fièvé & Cruls die toen door Franse specialisten werden gewaardeerd voor de artistieke kwaliteit van de daar getoonde vloertegelpatronen. Vele nieuw opgerichte Belgische keramische vloertegelbedrijven volgden al snel in het spoor van Boch en behaalden haast alle indrukwekkende reeksen bekroningen op opeenvolgende wereldtentoonstellingen, de belangrijkste firma’s zelfs tot op de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel.

Wandbetegelingen & architecturale keramiek

Op de wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs was het gebruik van kleurrijke keramiek als wandbekleding voor het eerst spraakmakend, met heel wat tot de verbeelding sprekende grootschalige realisaties van Franse en Engelse bedrijven. België liep lange tijd achter op dit gebied. Op de wereldtentoonstelling van 1885 in Antwerpen toonde Boch Frères voor het eerst een bescheiden aanbod van wandtegels in de stijl van Delft, Italië en Rhodos. Blikvanger was een monumentaal tegelpaneel met het oud stadhuis van Amsterdam ontworpen door Théophile Fumière. Een eerste belangrijk succes behaalde Boch Frères op de wereldtentoonstelling van Antwerpen in 1894 met het polychrome tegelpaneel ‘Diana op jacht’ of ‘La Chasse de Diane’, een bijna 14 m² groot paneel naar ontwerp van Georges De Geetere, nu bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel. Het inspireerde enkele kapitaalkrachtige ondernemers tot het geven van grote privé-opdrachten waaronder de spectaculaire gevelbekleding van het Grande Maison de Blanc op de Kiekenmarkt in Brussel naar ontwerp van de affichekunstenaar Privat Livemont, een ensemble dat ook vandaag nog de aandacht van heel wat voorbijgangers trekt.

geschiedenis wereldexpo

Paviljoen van Gilliot & Cie uit Hemiksem op de wereldtentoonstelling van 1935 te Brussel naar ontwerp van Joseph Roelants (interieur foto Sergysels, collectie Gilliot & Roelants Tegelmuseum).

Even indrukwekkend was de stand van de Manufacture de Céramiques Décoratives de Hasselt, naar ontwerp van Célestin Helman, op de wereldtentoonstelling van 1897 te Brussel. Hierbij werden voor het eerst door een Belgische fabriek de vele mogelijkheden van architecturaal bouwaardewerk getoond. Helman kreeg er ten persoonlijke titel een gouden medaille voor en startte enkele jaren later met een eigen en zeer succesvol bedrijf dat tot na WOII Belgische marktleider zou worden op het gebied van decoratieve wandtegelpanelen op maat voor binnen- en buitentoepassing. Ook Gilliot & Cie – de andere marktleider op het gebied van decoratieve tegelpanelen – behaalde net als het Maison Helman voor 1914 heel wat bekroningen en vermeldingen bij internationale en wereldtentoonstellingen, zoals die van Luik 1905, Brussel 1910, Charleroi 1911 en Gent 1913.

Tijdens het interbellum

Na de Eerste Wereldoorlog ging de aandacht van alle Belgische vloer- en wandtegelfabriek uit naar de snelle heropbouw van de fabrieken en het opdrijven van de productie om te voldoen aan de enorme vraag naar kwalitatieve bouwmaterialen nodig bij de wederopbouw van verwoeste dorpen en steden.

Op de befaamde Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in 1925 te Parijs was enkel Helman aanwezig. Het bedrijf toonde er toen wel zeer vernieuwend bouwaardewerk met metaalglansglazuur, waaronder een monumentale schouw die in kleur werd afgebeeld in de catalogus van de Belgische afdeling.

Pas op de Algemene Wereldtentoonstelling te Brussel in 1935 tonen de belangrijkste Belgische tegelfabrieken maximaal hun kunnen. Zowel Gilliot & Cie als het Maison Helman zijn dan aanwezig met een eigen paviljoen die beide volkomen terecht de nodige aandacht krijgen van de internationale vakpers. Gilliot & Cie is internationaal toonaangevend met een somptueus eigen paviljoen naar ontwerp van Joseph Roelants, dat zowel binnen als buiten volledig met keramische materiaal is bekleed.

geschiedenis wereldexpo

Tegelwand van de Keramiekfabrieken van Hemiksem en van de Dijle naar ontwerp van Ignace Verwilghen op de buitengevel van het paviljoen van de Glas- Keramiek en Kleinijverheid, expo 1958, collectie M. Baeck

Ook de deelname van Helman wordt dan gerekend tot de meest opmerkelijke inzendingen. Vooral de zogenaamde Chapelle en céramique dédiée à la Vierge maakt in vakkringen heel wat indruk en is vernieuwend op het gebied van kerkelijke kunst dank zij de krachtige ontwerpen van de Waalse expressionist Anto Carte.

Het internationale succes van beide firma’s wordt schijnbaar moeiteloos herhaald op de Exposition Internationale Arts et Techniques dans la Vie Moderne van Parijs in 1937, maar daarna weegt de crisistijd en de dreiging van de oorlog. Op de New-York World’s Fair Building the World of To-morrow in 1939, was de aanwezigheid van de Belgische tegelnijverheid zo goed als onzichtbaar.

Na de Tweede Wereldoorlog

Na 1945 brak in de architectuur de zogenaamde internationale stijl geleidelijk aan door. Op de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, waaraan zowat 80 % van alle Belgen een bezoek brachten, werd de bezoeker op grote schaal geconfronteerd met de moderne naoorlogse architectuurvormen.

Ook de Belgische tegelindustrie trachtte zich als modern te profileren en was in het paviljoen van de Glas- Keramiek en Kleinijverheid, naar ontwerp van het architectenbureau Vincent Cols en Jules De Roeck, aanwezig met een opvallende, abstract-decoratieve tegelwand van de Keramiekfabrieken van Hemiksem en van de Dijle naar ontwerp van Ignace Verwilghen. Het maakte duidelijk dat er voor monumentale realisaties nieuwe wegen open lagen, maar de fabrieken zelf kwamen in de decennia die volgden in moeilijkheden onder druk van de massale import van veel goedkopere tegels uit het buitenland en de groeiende concurrentie met nieuwe moderne materialen voor grootschalige toepassingen.

Deelnames aan nieuwe internationale bouwmateriaalbeurzen in de jaren 1960 herhaald georganiseerd door Ceramexport belge in Lille – met de Salon de la Céramique – en Parijs – met Batimat – brachten geen oplossing. Alle grote Belgische fabrieken dienden in de decennia die volgden te sluiten of werden door buitenlandse bedrijven overgenomen. Enkel een bloeiende tegelhandel – soms voortzettingen van kleinere lokale tegelproducenten – blijft vandaag nog getuigen van een groot tegelverleden.


Foto’s: Mario Baeck