Nieuwe tentoonstelling over Belgische art nouveau wandtegel

Van avant-garde tot massaproduct

De Belgische art nouveau-architectuur staat – met het werk van architecten en ontwerpers als Henry Van de Velde en Victor Horta internationaal in hoog aanzien. Dat de Belgische tegelindustrie toen eveneens internationaal aan de top stond, is minder bekend. Het Gilliot- & Roelants Tegelmuseum in Hemiksem verzamelde een mooie selectie van alle belangrijke Belgische fabrieken in een tijdelijke tentoonstelling.

Art nouveau

Art nouveau is een internationale stijl, of minstens een internationale kunstbeweging, die – zoals de naam suggereert – gezien wordt als nieuw of vernieuwend. Architecten en kunstenaars uit deze artistieke beweging wensten vanuit hun ‘strijd tegen de lelijkheid’ te komen tot een stijl waarin kunst doordrong tot het dagelijkse leven, waarbij alle kunsten werden verenigd en het onderscheid tussen de schone kunsten – met name schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur – en de toegepaste of decoratieve kunsten werd opgeheven.

Voor België staat de periode 1893-1905 bekend als de bloeitijd van de Art nouveau. Het beginjaar situeert men bij de bouw van het Hotel Tassel door Victor Horta en de eigen woning van Paul Hankar, als einddatum neemt men de start van de bouw van het Palais Stoclet door Josef Hoffmann en het team van de Wiener Werkstätte.

De start van de Belgische wandtegelindustrie in art nouveau

Als in 1893 de art nouveau-architectuur in België doorbreekt, had de Belgische keramische industrie – en de tegelindustrie in het bijzonder – in de hieraan voorafgaande decennia belangrijke ontwikkelingen ondergaan. Naar het voorbeeld van Engeland – en net als in Duitsland en Frankrijk -, was van in het midden van de negentiende eeuw, naast de traditionele meer ambachtelijke productie, stilaan een moderne aardewerkindustrie tot stand gebracht. Ook de wandtegelproductie was daarbij sterk geëvolueerd.

Nadat enkele glazeniers in de jaren 1860-1870 met veel succes experimenteerden met het beschilderen van ongedecoreerde keramische tegels in hun emailleerovens voor glas-in-loodramen, startten zowel Boch Frères in La Louvière als de Faïencerie de Nimy vanaf de jaren 1880 voorzichtig met de productie van decortegels in de transferdruktechniek. Ze bleven gedurende meer dan een decennium de enige Belgische producenten. Maar met de doorbraak van de art nouveau in de architectuur kwamen diverse nieuwe bedrijven op de markt. Boch en Nimy gingen weliswaar mee met de nieuwe tendensen, maar moesten al snel het marktleiderschap aan nieuw gecreëerde en meer gespecialiseerde bedrijven afstaan.

Zo liggen de wortels van de Belgische industriële wandtegel- en bouwaardewerkproductie in art nouveaustijl voor een belangrijk deel bij de Manufacture de Céramique de Cureghem-lez-Bruxelles Henri Baudoux & Cie. Kort na de oprichting in 1893 behaalde deze ‘Manufacture de briques et de carreaux émaillés’ – met zijn kwalitatief hoogstaand aanbod aan gegoten tegels en bouwornamenten in neostijlen – reeds een belangrijke onderscheiding op de wereldtentoonstelling te Antwerpen in 1894.

Door dit succes gestimuleerd en om verdere commerciële groei te kunnen realiseren, werden kennis en materiaal naar Hasselt overgebracht waar in 1895 onder de firmanaam S.A. Manufacture de Céramiques Décoratives – Majoliques de Hasselt een nieuwe en grotere aardewerkfabriek werd opgestart. Door deze overplaatsing konden Henri Baudoux, Arille de Gallaix samen met hun zakenpartner Célestin Helman zich op slag een veel betere marktpositie verwerven in een sector van de keramische tegelindustrie die in deze periode dankzij het gunstige economische klimaat en de nieuwe architecturale opvattingen tot grote bloei kwam. De fabriek bracht al snel prachtige art nouveau-standaardtegels en op maat gemaakte decoratieve panelen op de markt.

De ingenieur Henri Baudoux bleek als directeur van de nieuwe fabriek een uitstekend promotor voor zijn producten maar verliet rond 1900 de Hasseltse fabriek om een tegelfabriek in Duitsland uit te bouwen en startte na zijn terugkomst in België rond 1903 met een succesvol verkoopbureau van bouwmaterialen en eigen tegelontwerpen.

Ook de architect-landmeter Célestin-Joseph Helman – net als Baudoux aandeelhouder van de Majoliques de Hasselt – die vanaf 1897 in Brussel aanvankelijk het verkoopkantoor van de Hasseltse fabriek leidde, ging zijn eigen weg. Het verkoopbureau werd vanaf 1902 verzelfstandigd als Maison Helman Céramiques d’art en dit initiatief groeide na de uitbouw van een eigen fabriek in Sint-Agatha-Berchem rond 1906 uit tot één van de belangrijkste Belgische producenten van decoratieve tegelpanelen met een groot internationaal succes.

S.A. Manufactures Céramiques d’Hemixem, Gilliot Frères

Eveneens in 1897 legde Georges Gilliot in Hemiksem aan de Schelde de basis voor de bijzonder succesvolle vloer- en wandtegelfabriek S.A. Manufactures Céramiques d’Hemixem, Gilliot Frères, een bedrijf met een enorm gedifferentieerd aanbod van drooggeperste standaard wandtegels en tegelpanelen. De nodige kennis hiervoor werd uit het buitenland binnengehaald in de persoon van John Salt – als keramiekspecialist in Sèvres opgeleid – die tot technisch directeur werd aangesteld. Het bedrijf kende een snelle expansie. Zo steeg het aantal ovens van 4 in 1900 tot 46 in 1913. Parallel daarmee groeide het aantal werknemers aan van 50 in 1900 tot 900 in 1913. Een catalogus uit deze laatste periode vermeldt zelfs een dagelijkse productie van niet minder dan 250.000 stuks waarvan 35.000 vloertegels, 135.000 ongedecoreerde en 55.000 gedecoreerde wandtegels. Het zijn tot de verbeelding sprekende cijfers. Daarmee was Gilliot de grootste tegelfabriek op het Europese continent.

Een niet onbelangrijk deel van het aanbod van deze firma – zowel standaardtegels, als tegelpanelen en bouwornamenten uitgevoerd in diverse technieken – vertoont typische art nouveaukenmerken. Diverse ontwerpen uit de beginperiode werden daarbij overgenomen van de S.A. La Majolique, een kortstondig initiatief rond de beeldhouwer Jean Parentani met fabriek in Emptinne. Verschillende latere ontwerpen zijn van de hand van de Fransman Henri-André Bonnerot, een door zijn vroege dood aan het front in de Eerste Wereldoorlog lang ongeïdentificeerd gebleven kunstenaar met grote kwaliteiten. Het overgrote deel is echter anoniem. Toch is het aanbod in zijn geheel vrij herkenbaar. De florale art nouveaurichting overheerst daarbij duidelijk, al is de geometrische variant hier eveneens beperkt aanwezig. Deze diversiteit in aanbod bleek een grote troef. Mede hierdoor, samen met zowel de omvang als de technische en esthetische kwaliteit van de productie en de gunstige ligging dichtbij de Antwerpse haven werd Gilliot & Cie al snel internationaal enorm succesvol. Daarvan getuigen vandaag nog altijd prachtige betegelingen in art nouveaustijl van Latijns-Amerika over Europa tot het Midden en Verre Oosten toe.

De Belgische art nouveau wandtegel: een commercieel succes

In een belangrijk deel van de gebouwen in België werden rond 1900, vaak door jongere en minder bekende architecten, de diverse mogelijkheden van de industriële wandtegel op een esthetisch hoog niveau benut. In gevels of in portieken en nissen van handelszaken en woningen gaat het daarbij om vaak unieke en speciaal op maat gemaakte tegelensembles en -panelen. In het interieur vinden we zowel standaardtegels als decoratieve wandpanelen; in winkelruimtes en bij woningen – niet alleen in keuken of badkamer, zoals vandaag, maar veel zichtbaarder in de toegangsruimten als koetsdoorrit of traphal, en in vaak prachtige wintertuinen.

De grote vraag naar decoratieve wandtegels leidde tot de stichting van nog een 10tal andere gespecialiseerde Belgische tegelfabrieken waaronder de S.A. Compagnie Générale des Produits Céramiques – Saint-Ghislain, de Société Générale de Produits Réfractaires et Céramiques de Morialmé, de S.A. Produits Céramiques de la Dyle in Wijgmaal bij Leuven, de S.A. La Céramique Poulet, de S.A. Faïenceries des Pavillons te Florennes; de S.A. Faïenceries de Bouffioulx en de S.A. La Céramique de Herent opgericht. Alle boden in hun catalogi een enorme variatie aan kleurrijke en zeer aantrekkelijke ontwerpen aan. Ze werden in grote aantallen gekocht en internationaal geëxporteerd. Dit commerciële succes was te danken aan de hoge kwaliteit van uitvoering en ontwerp. Wie voor het eerst met deze productie kennismaakt, is ook vandaag nog vaak overdonderd.

Een aantrekkelijke tentoonstelling

Uit de indrukwekkende tegelcollectie van Roberto Pozzo, eigendom van de Koning Boudewijnstichting – met meer dan 9.000 tegels -, die sinds 2016 beheerd wordt door het Gilliot & Roelants Tegelmuseum in Hemiksem, zijn een 30-tal decoratieve panelen en zowat 300 tegels geselecteerd die tot de mooiste voorbeelden van de Belgische productie behoren. Laat u verrassen, want de gepresenteerde selectie is een waar feest voor het oog.

De vaste collectie van het museum is zelf meer dan de moeite van het ontdekken waard, net als de prachtige abdijsite. En wie nog meer van het Belgische tegelverleden wil zien, kan de Gilliotwandeling doen, en daarbij kennismaken met diverse restanten van het rijke tegelverleden van Gilliot & Cie.

Naar aanleiding van de tentoonstelling is de rijk geïllustreerde brochure Van avant-garde tot massaproduct. Gilliot & Cie en de Belgische artnouveautegel gepubliceerd. Ze is te koop in het museum (€ 10) en kan toegezonden worden (€ 15). Bestellen kan via de website van het museum – gilliottegelmuseum.be – waar u alle verdere praktische informatie vindt.


Tekst en illustraties: dr. Mario Baeck