De metrotegel, een trendy tegel met een lange traditie

Tegelbekleding in het metrostation Sèvres, Parijs uit een handelscatalogus van Boulenger Choisy-le-Roi uit 1921 (Collectie M. Baeck)

De metrotegel – eigenlijk bloktegel, biseautétegel of facettegel geheten – is meer dan ooit hip en geschikt voor elk interieur. Hij is beschikbaar in allerlei kleuren en maten, glanzend of mat, in faience of steengoed. En hij kan ook in verschillende legpatronen gezet worden: recht boven elkaar, halfsteens, in visgraatpatroon, met of zonder voeg. De mogelijkheden zijn eindeloos en dus is de facettegel met zijn typische afgeschuinde randen terecht nog steeds veelgevraagd.

We zijn ook allemaal zeer vertrouwd met de witte versie vanuit de Parijse metrostations, vandaar zijn populaire benaming. Maar is hij daarvoor speciaal ontwikkeld? Waarom is hij daar op zo’n grote schaal toegepast? Is de facettegel overigens ook gebruikt in de Londense Metropolitan of de New Yorkse Subway? Allemaal vragen waarop de meesten van ons geen antwoord weten. Tijd dus om op zoek te gaan naar meer duidelijkheid.

Ouder dan gedacht

Dit artikel verscheen in Polycaro 61

Lees alle artikels van deze editie online

of

PDF downloaden

Wie nieuwsgierig is naar de oorsprong van de facettegel, leest vaak dat dit tegeltype kort na 1900 speciaal ontwikkeld werd voor de Parijse Metro. Sommige auteurs vermelden zelfs dat Hector Guimard – de beroemde Franse art nouveau-architect, ontwerper van de sierlijke, als natuurlijk uit de grond opbloeiende Metro-ingangen – deze tegel zou ontworpen of op zijn minst uitgekozen hebben. Andere auteurs verwijzen naar Hippolyte Boulenger uit Choisy-le-Roi – één van de belangrijkste tegelfabrikanten op het eind van de 19e eeuw. Terecht wordt over hem gezegd dat hij voor de productie ervan een speciale mal in rubber ontwikkelde die hem toeliet de enorme hoeveelheden die nodig waren snel en efficiënt te persen. Maar was hij of Guimard de uitvinder? Neen. De facettegel was namelijk al veel langer in gebruik.

In een handelscatalogus van Boch Frères uit 1887, dus een kleine 15 jaar voor de ingebruikname van de Parijse Métropolitain, staan al twee voorstellen voor gevelbekledingen met bloktegels afgebeeld. In een tarief uit 1893 – voorlopig het oudst bekende – staan deze tegels beschreven als ‘Demi-carreaux biseautés’ of afgeschuinde halve tegels, beschikbaar ‘en toutes nuances’ of in alle kleuren in de maten 171 tot 173 mm op 85 tot 86 mm. Kostprijs 12 fr. per vierkante meter. Daarmee zijn het veruit de duurste tegels uit het gewone, niet-gedecoreerde aanbod. Dergelijke gevelbekledingen werden in België in de daaropvolgende decennia en dit tot ver in het interbellum enorm populair.

Je vindt dan ook gevels met facettegelbekledingen tot in het kleinste dorp, en niet alleen in gevels van handelszaken waar hygiëne een belangrijke rol speelde – bakkers, slagers en poeliers, viswinkels, cafés – maar ook bij herenhuizen waar ze vaak prachtige decoratieve tegelpanelen omkaderen. De afgeschuinde tegel bestond overigens eveneens al in de jaren 1880 als vloertegel, met name als een van de vele modellen van zwaardere plavuizen gebruikt in koetsdoorritten, buitenterrassen, paardenstallen en dergelijke. Eén van de belangrijkste producenten daarvan was de firma Escoyez met vestigingen in Tertre en Hautrage en ook in Mortagne du Nord in Frankrijk.

Op zoek naar de oorsprong

Was de metrotegel dan een Belgische uitvinding of werd dit model vanuit het Duitse zusterbedrijf van Villeroy & Boch in Mettlach op de markt gebracht? Het is niet uitgesloten, maar er zijn alvast enkele Franse voorlopers aan te wijzen. Al in de jaren 1842-1857 werden in Rubelles in Frankrijk, in het faiencebedrijf van de baronnen Paul Charles Amable de Bourgoing en Alexis du Tremblay, aan de bovenzijde zeer licht afgeschuinde langwerpige tegels op de markt gebracht. En hun mallen – zo is bekend – werden opgekocht door Choisy-le-Roi.

Het afschuinen van tegels aan de zijkanten gaat overigens heel ver in de tijd terug.

Al bij middeleeuwse loodglazuurvloertegels en later bij de Nederlandse tinglazuurwandtegels schuinde men de zijkanten af omwille van het praktische nut. Dat gebeurde evenwel ’omgekeerd’, met name aan de achterzijde. Door tegels naar de onderzijde toe in oppervlakte kleiner te maken, was het immers gemakkelijker om ze koud of voegloos tegen elkaar te plaatsen. Er bleef zo namelijk aan de achterzijde voldoende ruimte over voor het uitspreiden van de overtollige zetmortel bij het aandrukken van de tegels.

Ook in de glasnijverheid maakte men al vrij vroeg gebruik van aan de bovenzijde sterk afgeschuinde glazen ruitjes en spiegelglazen omdat deze hierdoor heel wat gemakkelijker en eleganter in een houten omkadering vast te zetten waren. Overigens werden ook facettegels in effen of gemarmerd opalineglas op de markt gebracht, bedoeld als gevelbekleding. Het bedrijf van Léon Pirsoul in Gilly was hiervoor het meest bekend. Een prachtig voorbeeld van een dergelijke gevel – in gedurfd licht paars – is vandaag nog te zien op het Esplanadeplei 15 in Aalst.

In de Parijse metro

Terug naar de Parijse metro. Waarom werd de facettegel hier op een dergelijk grote schaal gebruikt? De eerste tegels die men in de donkere stations en toegangstunnels van lijn 1 – onder meer in de stations Porte de Vincennes en Porte Dauphine – plaatste, waren alvast nog volledig vlak, net zoals de meerderheid van de betegelingen in de metro’s in Londen en New York. Ook deze geëmailleerde vlakke steengoedtegels waren net als de facettegels immers gemakkelijk te onderhouden en reflecteerden het dan nog eerder spaarzaam aanwezige licht al vrij goed.

Pas rond 1902 doken de eerste afgeschuinde tegels in de Parijse stations op. Door de afschuining werd het licht nog beter verspreid. Bovendien boden de facettegels, net als bij het gebisauteerde glas, een belangrijk technisch voordeel bij de plaatsing. Op de gebogen tunnelwanden zijn afgeschuinde tegels namelijk iets gemakkelijker te plaatsen. Door de afschuining komt er bij uitzetting heel wat minder druk op de zijkanten, die bij gewone tegels zeer scherpkantig zijn. Vele metrotegels hebben daarom niet toevallig bijkomend een kleine afronding op de buitenrand zodat de kwetsbaarheid verder verminderd wordt. In de vakpers rond 1900 wordt de facettegel ook als minder strak, aangenamer voor het oog en rustgevender dan de gewone gladde tegel gezien. Kortom een ideaal product waardoor de Parijse metrodirectie vanaf 1902 decennialang overwegend facettegels liet plaatsen.

De Parijse metrobetegelingen werden overigens al snel verfraaid. Eerst, zoals in het station Austerlitz, met gekleurde keramische friezen voorzien van geometrische of florale motieven in laagreliëf. Vanaf 1910 verschenen op de Noord-Zuidlijn (de huidige lijnen 12 en 13) ook de hoogreliëftegels als elegante omkadering voor reclameaffiches. Vanaf 1920 werden uiteindelijk ook de metrobenamingen – met witte letters op een blauwe achtergrond – niet lager in geëmailleerde staalplaat maar eveneens in keramiek uitgevoerd.

Een product met vele facetten

De facettegel was daarmee sterk in de markt gezet en werd ongemeen populair, ook in gewone woningen. In tegenstelling tot vandaag vinden we dit type tegels zeer lang in andere ruimten dan de keuken, de badkamer of de kelder terug en met name in lambriseringen in de hal, in wintertuinen en loggia’s. Naast eenkleurige facettegels verschenen er ook al snel tegels met marmerimitaties en zelfs met decors. Bovendien maakte men ook gebisauteerde tegels in een grote variatie aan formaten én vormen. Men maakte zelfs reliëftegels met facettegelimitaties. De enorme creativiteit van toen nodigt ons vandaag uit om misschien opnieuw meer te gaan experimenteren met deze aloude klassieker.


Tekst & illustraties: Mario Baeck