Hergebruik historische tegelmotieven: wettelijk beschermd?

Zowel in het hedendaagse aanbod van keramische vloer- en wandtegels, als bij de opnieuw populair geworden ingelegde cementvloertegel, zien we heel wat tegelmotieven die teruggrijpen naar modellen in neostijlen uit de tweede helft van de 19e eeuw of de art nouveauperiode rond 1900. Veel van deze motieven waren gebaseerd op ornamenten uit de klassieke oudheid, de middeleeuwen of de renaissance. Of ze waren overgenomen uit eigentijdse ornamentboeken of werden geïnspireerd door de modellen van concurrerende fabrieken.

Kan men deze oude motieven vandaag zomaar vrij kopiëren, of zijn de oude tegelmodellen soms nog wettelijk beschermd? Betreedt men dus bij hergebruik van deze motieven een goudmijn, of eerder een mijnenveld?

Niet alleen een interessante, maar ook een zeer relevante vraag. De laatste jaren hebben enkele Belgische tegelhandelaars zich immers voor de rechtbank moeten verantwoorden voor onrechtmatig gebruik van dergelijke oude tegelmotieven. Op zoek naar een antwoord kijken we zowel terug naar de vroegere ontwerppraktijk, als naar de wetgeving hierover.

Het ontwerpen van tegeldecors in de 19e en 20e eeuw

Onderzoek van oude handelscatalogi maakt duidelijk dat alle Belgische tegelfabrieken uit de 19e en 20e eeuw – wellicht vanuit hun commerciële instelling – geen uitgesproken kunstzinnige principes huldigden en de meest diverse stijlen in hun aanbod opnamen. Voor de totstandkoming van de duizenden tegeldecors die we in de catalogi terugvinden, deden de fabrieken zowel beroep op eigen decoratieateliers als op externe ontwerpers. Bij deze laatsten vinden we zowel architecten en meubelontwerpers als beeldhouwers, sierkunstenaars, schilders en affichetekenaars terug. Doorgaans kwamen hierdoor kwalitatieve ontwerpen tot stand die een grote eigenheid vertonen.

De ontwerpers verbonden aan de tegelfabrieken zelf, leverden meestal veel minder unieke of karakteristieke decors af. Voor hun ontwerpen maakten zij immers ruim gebruik van de vele ornamentboeken, kunst- en architectuurtijdschriften, portfolio’s, productcatalogi van andere tegelfabrieken en van affiches en andere grafische werken van vooraanstaande kunstenaars die hen ter beschikking stonden.

Enkele voorbeelden

Bij Boch Frères uit La Louvière is het tegelontwerp met een decor van irissen, dat omstreeks 1900 in de catalogus werd aangeboden, een bijna exacte kopie van het gelijknamig ontwerp door de Fransman Maurice Verneuil uit het plaatwerk La plante et ses applications ornementales van Eugène Grasset dat in 1897 bij Lyon-Claessen in Brussel werd gepubliceerd. Diverse andere tegeldecors uit de standaardcatalogus werden eveneens aan Verneuil ontleend, terwijl andere tegelmotieven teruggaan op motieven uit de klassieke oudheid, de renaissance, de Nederlandse tinglazuurtraditie of het werk van de Franse rococoschilder François Boucher.

Ook bij Gilliot & Cie uit Hemiksem vinden we diverse ontleningen van decors uit plaatwerken, ornamentboeken en kunsttijdschriften. Zo is het standaardmodel La parure uit de catalogus rechtstreeks een lichte aanpassing van het ontwerp Zodiaque uit 1896 van de Tsjechische affichekunstenaar Alphonse Mucha. Dit ontwerp was populair want het is nog steeds op diverse plaatsen in ons land terug te vinden. Een andere rechtstreekse ontlening aan Mucha is een prachtig tegeltableau uit ca. 1912 dat zich in Mortsel bij Antwerpen bevindt. Dit paneel beeldt een zwierige vrouwenfiguur af die de herfst symboliseert. Het is een kwalitatief hoogstaande, getrouwe kopie van een originele litho uit 1900. Er is enkel verschil in kleurzetting en omlijsting. Het feit dat op het tableau de handtekening van Mucha ontbreekt, is veelzeggend.

Internationale verspreiding

Bij de meeste andere Belgische wand- en vloertegelfabrieken zijn dergelijke ontleningen eveneens geregeld aan te treffen. Anderzijds vinden we ook Belgische ontwerpen terug in latere catalogi van tegelfabrikanten in Portugal, Spanje en zelfs Japan, net zoals daar ook heel wat Engelse tegelontwerpen werden gekopieerd. Een sprekend voorbeeld van een dergelijke ontlening is het tegelpaneel Electricité van Jacques Madiol uit een catalogus van het Maison Helman van ca. 1905, dat door de Portugese tegelkunstenaar M. Quiriol in 1907 lichtjes aangepast werd voor de door hem gesigneerde tegelpanelen op de gevel van de bekende Animatografia do Rossio in Lissabon. Misschien daarom liet Célestin Helman in sommige van zijn catalogi de vermelding opnemen dat ongeoorloofde overname van afgebeelde ontwerpen zou worden vervolgd.

Soms echter was er sprake van officiële samenwerking rond het gebruik van tegelmodellen, of werden de mallen na een faling overgenomen en daarna dus volkomen rechtmatig gebruikt. Zo is bekend dat Helman uit Brussel-Sint-Agatha-Berchem in de beginjaren 1905/1910 nauw samenwerkte met de Duitse fabriek A.G. Norddeutsche Steingutfabrik of NSTG uit Bremen-Grohn. Heel wat tegelmodellen voorzien van een Helman-merk zijn namelijk ook terug te vinden in de catalogi van deze Duitse firma. Verder is een klein deel van de wandtegelmodellen die Gilliot & Cie vanaf 1904 op de markt bracht met vrij grote zekerheid aankocht na de opheffing van de S.A. La Majolique met hoofdzetel in Brussel en fabriek in Emptinne.

Bij de vloertegelproductie van drooggeperste ingelegde keramische of cementtegels is een deel van de motieven – bij internationale vergelijking van de decors – opvallend gelijklopend. Minstens voor een deel is dit het gevolg van het feit dat de diverse constructeurs van tegelpersen samen met de bestelde pers ook uit catalogus de nodige mallen voor de productie van ingelegde tegels meeleverde. Dit zorgde er natuurlijk voor dat vele tegelmodellen snel op een volkomen legale wijze over heel de wereld verspreid werden.

Dit alles maakt duidelijk, dat al dan niet geautoriseerde overnames van tegeldecors tijdens de 19e en 20e eeuw vrij courant waren. Hoe was echter het eigendomsrecht op tegeldecors vroeger geregeld, en wat zegt de wetgever vandaag over deze problematiek?

Industriële eigendomsrechten

In België werd de zogenaamde industriële- of nijverheidseigendom reeds vroeg door de wet beschermd. Hieronder vielen zowel de rechten op fabrieksmerken of handelsnamen (het zogenaamd Merkenrecht), op uitvindingen (de zogenaamde patenten, brevetten of octrooirechten) en op nijverheidstekeningen en -modellen.

Het toezicht over deze handelsrechten werd en wordt binnen het Ministerie van Economische zaken uitgeoefend door een speciale afdeling, vandaag nog altijd actief onder de naam Dienst voor de Intellectuele Eigendom. Om deze rechten ook buiten België te vrijwaren werden talloze internationale verdragen afgesloten, telkens opgevolgd vanuit een toeziende internationale instelling.

Auteursrecht, tekeningen- en modellenrecht

In de loop van de 19e eeuw gold voor de bescherming van werken die tot de schone kunsten werden gerekend, lang de auteurswet van 19-24 juli 1793 uit de Franse tijd. In de rechtspraak werd aangenomen dat hierdoor ook de werken van toegepaste kunst die enige artistieke vormgeving vertoonden, beschermd werden. Later werd in de wet op het auteursrecht van 22 maart 1886 uitdrukkelijk gesteld dat ook een kunstwerk dat door middel van nijverheidsprocédés verveelvoudigd werd, of dat in de nijverheid een toepassing vond, eveneens aan de bepalingen van deze nieuwe auteurswet onderworpen was. Daardoor viel zowat elk voorwerp met enige artistieke vormgeving  onder deze wet. Zo oordeelde de rechtbank van Verviers in 1910 dat tekeningen met een bescheiden waarde ontworpen voor de decoratie van glas- en porseleinwerk wel degelijk onder de bescherming van deze auteurswet vielen.

Beschermd of niet?

Over de industriële tekeningen en modellen kwam ook in de 20e eeuw nog heel wat specifieke wetgeving tot stand. Het Benelux-verdrag inzake tekeningen en modellen uit 1970, een verdrag dat in de herziene versie uit 2005 nog steeds van kracht is, bepaalde dat de Belgische modellen, beschermd krachtens een eerder besluit uit 1935, hun werking behielden indien het depot ervan in de loop van 1975 werd bevestigd door de neerlegging van een dossier bij de Dienst voor de Industriële eigendom van het Ministerie van Economische Zaken, Administratie van de Handel. Dit is toen slechts voor ruim duizend modellen gebeurd. De andere oude industriële modellen, en dus ook de overgrote meerderheid van de historische tegeldecors zijn daardoor in het open domein terecht gekomen, en kunnen dus vrij van rechten worden hernomen, tenzij ze beschouwd kunnen worden als originele creatie van een kunstenaar en als dusdanig nog tot 70 jaar na diens overlijden beschermd zijn onder de bepalingen van de veel striktere auteurswet uit 2014. De wandtegelontwerpen van de beroemde Belgische art nouveau-architect Henry van de Velde (1863-1957) voor Villeroy & Boch in Mettlach zijn volgens dit principe – haast zeker – nog wettelijk beschermd tot 2027.

Kan men oude modellen opnieuw wettelijk beschermen?

Zonder twijfel is dit onmogelijk, aangezien tekeningen en modellen vandaag – net als in het verleden – enkel beschermd kunnen worden als ze aan twee cruciale voorwaarden voldoen: de tekening of het model moet (objectief) nieuw zijn en getuigen van een eigen karakter. Bovendien geldt de bescherming maximaal voor 25 jaar.

Bovenstaande maakt duidelijk dat het overgrote deel van de historische modellen vrij van rechten is, en dus beschikbaar voor modern hergebruik. Toch blijft voorzichtigheid geboden omdat een beperkt deel van de motieven – namelijk deze ontworpen door vooraanstaande ontwerpers – nog steeds een vorm van wettelijke bescherming geniet. Enkel specialisten – en bij betwistingen de rechtbanken – kunnen hierover zekerheid geven.

Tekst & illustraties: Mario Baeck