Dossier: beroep tegelzetter, het knelt weer op de arbeidsmarkt

Na vier jaar afwezigheid duikt vloerder-tegelzetter weer op in de VDAB-lijst van knelpuntberoepen. Polycaro peilde naar oorzaken en mogelijke remedies. De ervaringen van tegelzetter James De Smet uit Maldegem zullen velen bekend voorkomen.

“Ik heb jaren getwijfeld om iemand te aanvaarden, vooral ook omdat ik bijna altijd werk met grootformaattegels. Ik rekende dan maar op collega’s om soms bij te springen. Uiteindelijk schreef ik toch een vacature uit, zonder dat er een geschikte kandidaat op afkwam. Tot een stagiair, met wie ik vlot samenwerkte, geïnteresseerd bleek in een vast contract. Dat ging anderhalf jaar best goed, tot hij plots elders begon als coördinator en na zijn uren als vloerder in bijberoep. Dit was in januari; ik heb werken moeten verplaatsen. Gemotiveerde mensen vinden, het is echt moeilijk. Ik heb momenteel geen zin om er nog eens twee jaar mee bezig te zijn. Want je stopt er heel wat tijd en energie in. Je moet op alles toekijken. De klant mag tenslotte niet zien wie die tegels heeft gelegd.”

Sinds 2018 is vloerder-tegelzetter opnieuw een knelpuntberoep

Regionale verschillen

“Sinds 2014 was het minder een probleem, maar in 2018 is vloerder-tegelzetter opnieuw een knelpuntberoep,” bevestigt Els Van Geel van de VDAB-studiedienst. De ‘spanningsindicator’ (de verhouding tussen het aantal werkzoekenden en het aantal beschikbare vacatures) laat voor vloerder-tegelzetter grote verschillen zien tussen de provincies:

  1. West-Vlaanderen spanningsindicator 4,65
  2. Limburg 7,33
  3. Oost-Vlaanderen 13,11
  4. Vlaams-Brabant: 13,57
  5. Antwerpen: 20,32

Bekeken op het niveau van de arrondissementen zijn de verschillen nog groter. In het arrondissement Antwerpen waren er theoretisch 57 werkzoekenden beschikbaar per openstaande vacature, in Tielt was dat slechts 1 werkzoekende per openstaande vacature. Het wil niet zeggen dat in Antwerpen tegelzetter geen knelpuntberoep is, verduidelijkt Els van Geel: “De spanningsindicator is slechts één element. Daarnaast houden we ook rekening met vervullingspercentage en doorlooptijd. Uit het absolute getal van de spanningsindicator kunnen moeilijk conclusies getrokken worden: vooral de evolutie geeft hier een beeld van de krapte. Zo blijkt er in alle provincies een evolutie naar een krappere arbeidsmarkt voor de vloerder-tegelzetter. Maar je kan wel zeggen dat voor vloerder-tegelzetter de arbeidsmarkt in West-Vlaanderen veel krapper is dan in Antwerpen.”

Waar we nood aan hebben, zijn specialist-tegelzetters

Twee redenen waarom het schoentje knelt

Waarom is volgens VDAB tegelzetter een knelpuntberoep? Els van Geel: “Daar onderscheiden we twee redenen voor, namelijk de kwalitatieve oorzaak en de arbeidsomstandigheden. Vloerder-tegelzetter is een fysiek zwaar beroep. Langdurige, moeilijke werkhoudingen, bijvoorbeeld geknield, zijn belastend voor de gezondheid. De trend naar XL- en XXL-tegelformaten verhoogt nog de lastigheidsgraad. Vloerders moeten ook goede notie hebben van andere bouwtechnieken en zin hebben voor esthetiek. De vraag naar polyvalentie (kandidaten die zowel tegels, laminaat als parket kunnen plaatsen) versterkt het kwalitatief knelpunt.”

1. Gebrek aan (bij-)scholing

Peter Goegebeur, de bezieler van BITA (Belgian Innovative Tile Academy) die kennis van moderne plaatsingstechnieken wil propageren, bevestigt. “De evolutie van de technieken gaat zeer snel, en waar we nood aan hebben, zijn specialist-tegelzetters. De evolutie naar grootformaattegels kan het vak dan misschien ‘bemoeilijken’, anderzijds opent het deuren om je hierin te specialiseren en kan je er bijgevolg dik je boterham mee verdienen. Er zijn te veel algemene aannemers die ook tegels zetten, maar die maken het vak soms kapot.” Als expert bij schadeclaims stelt Goegebeur vast dat het hen vaak ontbreekt aan pure basiskennis: “Geen verschil maken tussen groot en klein formaat, de ondergrond niet herkennen, geen dubbele verlijming gebruiken, niet kunnen omgaan met vloerverwarming of met waterdichting in natte cellen,… Het is allemaal het gevolg van te weinig (bij-)scholing.” Het doet de reputatie van het tegelzetten geen goed. En ook: dit soort tegelzetter is een vogel voor de kat bij schadeclaims.

2. Magere instroom

Tegelzetten is in diverse formules een optie in het beroepsonderwijs of het volwassenenonderwijs (Vrije Technische Instituten -VTI). In het deeltijds beroepsonderwijs is er een specifieke opleiding tot tegelzetter, en het is ook één van de aspecten van de richting Ruwbouw/Afwerking. De opleiding kan samengaan met ervaring op de werkvloer, ofwel via een stage ofwel via het systeem Leren en Werken. Via deze diverse systemen kunnen jongeren tot 25 kunnen werk en opleiding combineren. Op papier dus tal van mogelijkheden, maar het levert dus geen stroom op van gekwalificeerde tegelaars.

Blijkens de gegevens op onderwijskiezer.be zijn er in Vlaanderen 25 scholen die een opleiding tegelzetten aanbieden in DBSO. Voor Oost-Vlaanderen, bijvoorbeeld, betekent dat telkens één school in Gent, Oudenaarde, Aalst en Dendermonde. En als we kijken naar “ruwbouwafwerking”, dan zijn er in heel Vlaanderen maar vijf scholen die het ook daadwerkelijk aanbieden.

Sociale dumping maakt de sector onaantrekkelijk voor jongeren

”De instroom van tegelzetters is schrijnend”, aldus Peter Goegebeur. “Eigenlijk hebben we geen scholen meer waar je écht een specifieke opleiding tot tegelzetter hebt. En dat is een ernstig probleem. In het zevende jaar VTI zitten stukadoors en tegelzetters samen. Dit is een ramp voor de stiel. Tegelzetten is al een specialiteit op zich, en daarbinnen heb je nog mozaïek, grootformaat, natuursteen, vloerverwarming,…” James De Smet: “Hoe vaak heb ik het al niet gehoord vanwege stagiairs: ‘Dat hebben we op school niet geleerd.’ Tsja, de tijd staat niet stil en de techniek ook niet.”

Peter Römers, pedagogisch begeleider Bouw voor het Gemeenschapsonderwijs, wijst erop dat scholen wel leren werken met grotere formaten, maar het plaatsen van XXL tegels binnen een schoolse context is niet altijd evident. “Overigens, de opleiding is vormgegeven op basis van de beroepskwalificatie (geschreven door de sector) waarin we de leerling een goede sterke basis meegeven waarmee hij op de werkvloer aan de slag kan.”

Goegebeur is wel tevreden over de opleidingen via Leertijd geboden door Syntra: “We zien ook een lichte stijging van volwassenen die avondonderwijs komt volgen; zo’n één à twee avonden per week. Daar hebben we nu een aantal laatstejaars tussen 25 en 30. En daar zien we wél de mogelijkheid om een goede tegelzetter te vormen. In Wallonië heb je hetzelfde systeem, bij Espace Formation.”

knelpuntberoep tegelzetter

Schenk leerjongens vertrouwen

Goegebeur wijst ook bedrijven op hun verantwoordelijkheid: “Wat zien we vaak bij leercontracten? Die jonge kerels komen om iets te leren; in plaats ervan mogen ze met zakken zeulen of de werf opkuisen. Veel te zelden mogen ze effectief iets uitvoeren. Een leerjongen moet de stiel dan eigenlijk stelen met zijn ogen.”

Peter Römers herkent het probleem. “Binnen de afwerkingsberoepen is de afwerkingsgraad cruciaal waardoor bedrijven hier extra voorzichtig mee omgaan en dit niet zomaar aan leerlingen overlaten. Er moet een vertrouwensband groeien tussen de leerling en zijn mentor in het bedrijf. Vandaaruit kunnen stapsgewijs en onder begeleiding competenties aangeleerd worden aan de leerling.” Niet altijd makkelijk, aldus James De Smet. “Ik kan het me niet permitteren, zeker niet in de hogere prijsklasse waarin ik werk, om een werf te hebben die in het honderd loopt. Dan verlies ik meteen die architect. Ik geeft het toe: daardoor ben ik misschien té kieskeurig.”

Oplossingen: welke remedies zijn er?

Peter Goegebeur denkt aan méér specialisatie in scholen. “In Italië gaat het zo. Daar word je of mozaïst of ‘lastrificatore’, d.w.z. plaatser van grote formaten.” Maar gespecialiseerde academies van dit type is niet de richting die het Belgische onderwijs momenteel kiest. Daar trekt men de kaart van Duaal Leren (zie onder); een systeem waarbinnen doorgedreven specialisatie wel degelijk mogelijk is – maar bedrijven zullen daarin zélf een grote verantwoordelijkheid dragen.

Een andere oplossing is dat de sector het zélf doet, tenminste waar het bijscholingen betreft. En dat is al aan het gebeuren, zegt Peter Goegebeur. “Vorig jaar bereikten we met BITA, in samenwerking met bedrijven en importeurs, een kleine 700 professionelen. De bedoeling is niet om een typische demonstratie te geven, waarbij vooraan wordt getoond hoe het moet en iedereen die knikt. Als wij een workshop geven, halen we mensen uit publiek. Maar we beperken dat ook. Dat hebben we moeten leren. Vroeger, toen ik voorzitter was van Fecamo West-Vlaanderen, deden we seminaries met 120-140 man. Dat is te veel. 25-30 mensen, dat is genoeg. Dan kunnen ze participeren. Want pas als je de materialen voelt, leer je iets.”

Zwaar beroep

Komen we bij punt twee aangehaald door de VDAB: de lastige arbeidscondities. James De Smet kan er zich wel wat bij voorstellen. “In de bouw werken blijft corvee. Bij sommige stagiairs zie ik dat het niet alle dagen even goed lukt met zware tegels of ‘dallen’. De meeste mensen werken ook liever niet bij een zelfstandige: het zijn soms lange uren. Ik zie hoe ze liever bij een aannemer gaan werken. En vaak zie ik jongens die bouw gaan studeren, zonder de intentie er ooit in te werken. Nadien trekken ze naar een fabriek, waar ze in twee ploegen werken en méér verdienen dan door elke dag bij een aannemer met stenen te sleuren.”

Qua arbeidsomstandigheden is er wel veel verbeterd, de laatste jaren, zo beklemtoont Peter Goegebeur. “Vroeger was het écht serieus hard labeur. Een zak cement was vijftig kilo; nu is het 25, of je mag hem niet optillen. En qua veiligheid: met alle kwartsstof dat ik heb opgesnoven… ik zou er eigenlijk niet meer mogen zijn! Maar vandaag kan je echt niet meer zeggen dat het een ongezond beroep is. Je kan het jezelf makkelijker en veiliger maken. Gebruik de juiste gereedschappen. En gebruik dat stofmasker. Gelukkig is die gêne nu wat aan het verdwijnen. Vroeger zag je nooit PBM’s (persoonlijke beschermingsmiddelen); nu is dat toch wel courant.

Veel hangt af van het persoonlijk engagement van de tegelzetter

Sociale dumping

Zoals bij andere bouwberoepen is er in tegelzetten een grote instroom van buitenlandse (Oost-Europese) “gedetacheerde” werkkrachten. Nog los van het probleem van de concurrentievervalsing is het ook inhoudelijk geen oplossing, zegt Peter Goegebeur: “Niets tegen buitenlanders, natuurlijk, het zijn goede werkers die hier hun gading komen zoeken in de bouw, en dat is alleen maar positief. Maar ze scholen zich niet bij, specialiseren zich niet en werken niet volgens Belgische normen. Ze doen stukadoorswerk, dakwerk, schilderwerk… en ook tegels. Dat zit verkeerd.”

Leerjongens die komen om iets te leren mogen met zakken zeulen of de werf opkuisen

De sociale dumping maakt de sector van het tegelzetten ook onaantrekkelijk voor jongeren; de Bouwunie schat dat er in de periode 2012-1017 méér dan 18.000 bouwarbeidersjobs op deze wijze verloren gingen, terwijl het aantal gedetacheerde werknemers in dezelfde periode bijna verdubbelde tot 48.000. De Bouwunie is dan ook tevreden met de nieuwe Europese detacheringsrichtlijn (gestemd eind mei 2018), volgens welke gedetacheerde en lokale werknemers voor hetzelfde werk op dezelfde plaats ook identieke arbeids- en loonvoorwaarden krijgen.

Beroepstrots

Indien goed opgevolgd door het beleid, is dit een grote stap voorwaarts, in het herwaarderen van het beroep tegelzetter. Wat kan er nog gebeuren? Misschien eens duidelijk maken dat tegelzetter niet alleen een zwaar maar vooral ook een heel fijn beroep is. James De Smet: “Het is absoluut een mooi beroep, waarbij elke dag anders is. En dat zouden we wel eens wat meer mogen zeggen!”

Peter Goegebeur: “Met tegelzetten kan je ten eerste best een aardig centje verdienen, want als je je werk goed doet, heb je dus eigenlijk geen concurrenten. En dat geldt ook voor al de vernieuwingen in het beroep tegelzetten die volgens sommigen leidt dat het een knelpuntberoep wordt. Het is ook net door die innovaties zoals XXL tegels, dat men zich kan onderscheiden op de markt en als specialist naar voren treden. Daar kan je dik je boterham mee verdienen, maar je dient je uiteraard bij te scholen.

Nu, j­e hebt in essentie twee types tegelzetters. Er zijn er die vo­­oral ‘meters doen’ en op het einde van de dag blij zijn dat ze veel geld hebben verdiend. En dan zijn er die hun werk graag fijn uitvoeren en ‘s avonds met voldoening kijken naar hun snijwerk. Ik denk daarbij aan mijn vader zaliger en mezelf toen we vroeger mozaïek zetten. We zetten toen geregeld een stap achteruit, keken of er eentje scheef zat, maakten het met een breekmes los en plaatsen het terug recht. Het moest perfect zijn.”

Goegebeur ziet die beroepstrots ook terugkomen, en helpt daar ook een handje bij. “Met de federatie van tegelzetters Fecamo organiseren we om de twee jaar het Belgisch Kampioenschap Tegelzetten tijdens Stone & Tile, waarbij junioren en senioren een aparte competitie hebben. En met het internationale netwerk van BITA gaan we binnenkort ook jongeren uitwisselen, bijvoorbeeld met Italië; Frankrijk, Spanje. Zodat ze kunnen zeggen: ‘De baas is content, ik mag naar het buitenland.”

Ook Ton Borrenbergs ziet dat jongeren vatbaar zijn voor beroepstrots, onlangs nog in Zwitserland, op een workshop van de Europese tegelzetterfedeatie EUF naar een idee van EITA (European Innovative Tile Academy): “Ik heb daar door de werkplaats rondgelopen, waar zo’n 45-tal jonge tegelzettertjes hun werk deden. Nou, ik heb m’n ogen uitgekeken hoor. Wat die jongens daar aan het maken waren; hoe ze zich konden concentreren op hun werkstuk. En de discipline die ze hadden. Dat vond ik geweldig. Het zou in Nederland ook niet misstaan!” Of in België…

Persoonlijke inzet

Veel hangt af van het persoonlijk engagement van de tegelzetter, zo besluit Peter Goegebeur. “Een tegelzetter moet zich engageren, moet erin opgaan, moet zijn kennis en tijd delen. Hij moet eerlijk gezegd zijn vrije tijd eraan willen opofferen. Naar workshops gaan, lesgeven, adviseren, betrokken zijn bij de sectororganisaties. We moeten tonen dat de branche ons ter harte gaat. En als je dat doet, krijg je daar onmiddellijk veel voor terug. Je krijgt veel vrienden en veel interessante info. Je wordt de slimste in je veld. Natuurlijk ben je de hele tijd op pad en de echtgenotes klagen soms. Maar je kan niet alles hebben.” (lacht)


Kaderstuk: Een blik vanuit Nederland

Een gebrek aan geschoolde tegelzetters is geen typisch Belgisch probleem. Tegelexpert Ton Borrenbergs uit Nederweert (nabij Eindhoven) ziet het ook in zijn land. “De instroom is in Nederland nagenoeg aan het opdrogen. In 2016 zaten we 9% in de min. Vele regionale opleidingsscholen kiezen ervoor om geen kleine beroepen meer op te leiden, omdat ze vinden dat er niet genoeg kandidaten zijn.” Proactief zijn helpt: “Zelf zit ik op een bouwopleiding waar ik al tien jaar lang jongens ronsel. Ik heb ook goede contacten met tegelzetters. We hebben er nu 14 nieuwe. Maar krijg ik die jongens straks ook geplaatst? Da’s natuurlijk een stukje tegenstrijdig, maar de meeste tegelzetters in een straal van 20km zijn voorzien van jongeren. Ga ik echter verder, dan is de behoefte enorm, en daar zijn geen opleidingen. Er zijn zes ‘fanatieke’ opleiders in Nederland: in Heerhugowaard (Noord-Holland), in Nieuwegein, in Almelo, Horst (Limburg), in Den Bosch en ik zit in het zuiden, regio Helmond. Maar West, Noord-Oost, daar wordt niks meer aan gedaan.”

Nederland heeft twee systemen van leren en werken: BBL (Beroepsgeoriënteerd Begeleid Leren: vier dagen werken, één naar school, met salaris) en BOL (BeroepsOpleidende Leerweg: grotendeels op school, met stage en stagevergoeding). “Vroeger deden we meer BBL maar in de crisis van 2008-09 schakelde zowat iedereen om naar BOL. Bedrijven waren bereid jongeren op te leiden omdat de uurlonen lager waren. Nu zijn we weer de andere richting aan het omschakelen: bedrijven doen nu vaak het eerste jaar BOL en het tweede BBL. Je moet wel, anders trek je die jongeren niet aan.”

Nemen bedrijven daarbij hun pedagogische taak waar? “Er zijn veel uitstekende leermeesters. Maar ook krijg je vaak te horen: dikwijls is het meer assisteren: wat lijm aanzetten en zo. Zo sukkelen ze door die opleiding heen. En aan het einde krijgen ze dan te horen: eigenlijk hebben we geen werk voor je. De rol van de begeleider is heel belangrijk. Wees eerlijk met die jongeren, als je ziet dat het niet echt gaat, ga dan een gesprek aan. Creëer geen valse verwachtingen.”

Overigens is er in deze een recent opmerkelijk initiatief, dat misschien wel navolging verdient in België: “Door het enorme tekort aan tegelzetters ziet men nu de noodzaak van opleiden in, en daarom is brancheorganisatie Bovatin gestart met de campagne ‘Kies Tegelzetten’, om jongens op het VMBO (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) alvast de keuzemodule tegelzetten te laten kiezen. En wie afstudeert met een tegelzettersdiploma, krijgt van Bovatin een baangarantie!”


Kaderstuk: Duaal leren: “Geef het een kans”

Een studie uitgevoerd door de Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen (SERV) legde in 2015 aanzienlijke problemen bloot in het stelsel van stages en leercontracten. Meer dan de helft van de leerlingen haakte af zonder diploma. Het aantal jongeren in het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs nam toe (75%, t.a.v. 25% in Leertijd), maar de jongeren in DBSO hadden het moeilijk om een leerwerkplek te vinden. Zo’n 14% (1.300 à 1.400 arbeidsrijpe) arbeidsrijpe en -bereide jongeren vonden geen werkplek. Niet verwonderlijk dat de Vlaamse regering in 2015 koos om een nieuw stelsel te ontwikkelen: Duaal Leren. Een leerweg die zeker een kans moet krijgen, aldus Peter Römers.

“Het sterke aan duaal leren zal nu net zijn dat leerlingen het vak aanleren in een realistische werk/leeromgeving met al zijn typische kenmerken en probleemsituaties. De mentor kan hier direct op inspelen waardoor theorie en praktijk elkaar vinden en de leeruitkomst verhogen.  Bij duaal leren worden de competenties op de werkplek aangeleerd, ingeoefend en geëvalueerd; bij de andere vormen van werkplek-leren werden de vaardigheden op school aangeleerd en verder ingeoefend op de werkvloer.”

Bedrijven krijgen ook veel meer verantwoordelijkheid in het leerproces. “Elke erkende leeronderneming moet een ‘mentor’ hebben, die daarvoor een opleiding volgde. Deze begeleidt de leerling: toont hem de technieken, traint de attitudes, en bespreekt zijn vorderingen met de trajectbegeleider. Binnen duaal leren is een goede samenwerking tussen trajectbegeleider (school) en mentor (bedrijf) cruciaal.”

Volgend schooljaar loopt duaal leren in 187 scholen; daarbij ook een proefproject “Dekvloerlegger en tegelzetter duaal” als specialisatiejaar. Werkgeversorganisaties verwachten veel het nieuwe systeem en drukten teleurstelling uit over het afstel (in principe had het in september ’18 van start moeten gaan). “Onze werkgevers staan volop klaar met intussen al 14.500 erkende werkplekken”, aldus waarnemend UNIZO-gedelegeerd bestuurder Johan Bortier, eind 2017. Maar Peter Römers benadrukt nog eens het belang van de gedeelde verantwoordelijkheid: “Scholen zullen voldoende middelen moeten investeren voor het aanstellen van een trajectbegeleider en het organiseren van trajectbegeleiding, terwijl de bedrijven zich er bewust van moeten zijn dat ze een leerling gaan opleiden en dus ook leerkansen moeten creëren”.