Tapijten voor eeuwig: de Belgische ingelegde steengoedvloertegel

Vloer uit 1913 naar middeleeuws model in de Gentse Belforttoren met deels ingelegde loodglazuurtegels door de West-Vlaamse Poterie Flamandeproducenten Caesens Frères & Noseda.

In vele prestigieuze herenwoningen, vroegere handelszaken en cafés, landelijke pastorijen en herenboerderijen uit de periode 1875-1930, en deels ook in kleinere burgerwoningen en in een enkele arbeiderswoning, herontdekken nieuwe eigenaars tijdens noodzakelijke renovatiewerken vandaag nog zeer geregeld prachtige keramische tegeltapijtvloeren, steevast al decennialang verstopt onder lagen linoleum, vinyl of kamerbreed tapijt. Ze waren namelijk sinds de jaren 1950-1960 sterk “uit de mode” wegens “veel te druk” of “in lelijke kleurencombinaties” uitgevoerd en werden bovendien ook nog met de “goedkope cementtegels” verward.

Nieuwe eigenaars ontdekken tijdens renovatiewerken geregeld prachtige keramische tegeltapijtvloeren, decennialang verstopt onder lagen linoleum, vinyl of kamerbreed tapijt. De waardering voor dit bijzonder erfgoed is sterk gestegen. Steengoed- of grestegels zijn immers onverslijtbaar, zuurbestendig en ook nog eens bijzonder onderhoudsvriendelijk

Tot voor dertig jaar verdwenen deze hoogwaardige steengoedtegels onverbiddelijk op de container tussen het andere bouwpuin. De laatste decennia is de waardering voor dit bijzonder erfgoed sterk gestegen. Steengoed- of grestegels zijn immers onverslijtbaar, zuurbestendig en ook nog eens bijzonder onderhoudsvriendelijk. Allemaal eigenschappen die in deze tijden van verhoogde klimaataandacht eigenaars twee maal doet nadenken. Terecht, want ooit waren deze tegeltapijtvloeren een bewijs van smaak en ruime financiële draagkracht. Ze werden zorgvuldig ontworpen, gekozen en geplaatst en verdienen dus minstens een ernstige afweging rond al dan niet behoud in situ, of zelfs restauratie indien nodig.

De vroege ingelegde loodglazuurtegel

In onze gewesten slaagden tegelbakkers er vanaf midden 13e eeuw in tweekleurige, gedecoreerde tegels te maken. Bij dergelijke ‘ingelegde’, ‘stempel-‘ of ‘slibtegels’ werd de tegel door het indrukken van een houten stempel in de klei van een patroon voorzien. Daarna vulde men de holtes op met een andersgekleurde engobe of kleibrij. Ter bescherming bedekte men vervolgens het geheel, vóór het bakken, met een doorzichtig loodglazuur.

De verscheidenheid aan ingelegde motieven was opvallend groot. Bij de tegels met een centraal decor ging het toen naast geometrische figuren om florale en heraldische motieven, monsters en dieren, mythische figuren en personen. Heel wat decors zijn dan over vier tegels uitgewerkt. Religieuze motieven kwamen nauwelijks voor, wellicht omdat men op tegels trapte.

Ondanks de prachtige effecten verdween het gebruik van deze ingelegde loodglazuurtegels bijna geheel in de loop van de 16e-17e eeuw, al bleef de techniek in West- en Frans-Vlaanderen tot in de 20e eeuw bij de productie van wand- en haardtegels bewaard.

De heropleving van de ingelegde steengoedtegel vanaf 1850

Het was wachten tot de heropleving van deze techniek binnen de neogotische beweging in Europa en België vooraleer er weer een periode van hoge bloei voor dit type vloertegel aanbrak. Voor binnentoepassingen waarbij het esthetische aspect doorslaggevend was, bracht Boch Frères uit La Louvière als eerste in België vanaf de late jaren 1850 hoogwaardige vloertegels in steengoed of grès cérame met ingelegd decor op de markt. Deze techniek ontwikkelde zich naar het voorbeeld van de succesrijke Engelse “encaustic tiles” uit plastische klei die vanaf 1840 door Herbert Minton, op basis van het verbeterd patent van Samuel Wright uit 1830, op de markt waren gebracht. Dit gebeurde op aangeven van het Duitse zusterbedrijf Villeroy & Boch dat als eerste ter wereld in de jaren 1850 een revolutionaire techniek voor de productie van drooggeperste ingelegde vloertegels ontwikkelde. Boch Frères nam deze productiewijze over, hierin gestimuleerd door opdrachten van vooraanstaande architecten waaronder Herman Jaminé, provinciaal architect in Limburg, en de beroemde West-Vlaamse neogotische architect baron Jean Baptiste Bethune.

De ingelegde vloertegels, die Boch Frèreseerst te La Louvière en na 1862 in Louvroil bij Maubeuge in Frankrijk produceerde, werden een enorm commercieel succes, zeker na de bekroning ervan op de Wereldtentoonstelling van 1862 in Londen

De ingelegde vloertegels, die Boch Frères eerst te La Louvière en na 1862 in Louvroil bij Maubeuge in Frankrijk (département du Nord) produceerde, werden een enorm commercieel succes, zeker na de bekroning ervan op de Wereldtentoonstelling van 1862 in Londen. In 1870 beschikte het bedrijf al over een honderdtal verschillende vloerpatroonsuggesties, en er werd toen al volop geëxporteerd naar het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Italië, Algerije, Egypte en zelfs China.
Het succes van Boch Frères leidde al snel tot het ontstaan van een groot aantal concurrerende fabrieken in België en Noord-Frankrijk.

Nieuwe standaarden op esthetisch vlak

De vele nieuw opgerichte keramische vloertegelfabrieken brachten elk een breed aanbod van modellen op de markt die niet alleen technisch van hoogstaande kwaliteit waren, maar die ook probleemloos voldeden aan de vereisten voor een esthetisch verantwoord vloerplan die door een aantal autoriteiten werden vooropgesteld en die tot in de jaren 1920 door heel wat architecten werden opgevolgd.
Zo werd het belangrijk gevonden dat de vloer als een plat vlak behandeld werd. Er mochten geen storende perspectiefeffecten in de vloer zitten. Het decor moest vlak en rustig zijn. Een plaatsingsschema waarbij de voegen verspringen werd aanbevolen. Een combinatie van grote en kleine elementen werd gezien als luchtiger en aantrekkelijker dan een dambordpatroon met tegels van eenzelfde maat. Naast esthetische redenen zijn dergelijke vloerpatronen ook steviger op het technische vlak.

Op het niveau van het vloerensemble diende het motief van de tegels in verhouding te staan tot de ruimte. Bij rechthoekige ruimten moest de lengte in verhouding staan tot de breedte. De indeling van het vloerontwerp werd best afgestemd op de circulatierichtingen. Zo was het niet alleen aangewezen om aan de randen een boord te voorzien, maar zeker in een vestibule ook de looprichting te accentueren of in een grotere ruimte kruispunten of ronde punten te voorzien waar de looprichtingen elkaar ontmoeten.

Uiteraard waren ook rustige zones nodig.

Er diende eveneens aandacht te zijn voor een goede combinatie van kleuren en tinten. Er werd aanbevolen te werken met één dominante kleur, en de kleurenvariatie bleef liefst beperkt tot twee of drie uitgesproken kleuren, of bij een iets rijker effect tot maximaal drie of vier kleuren.

Uit de bewaard gebleven vloertegelcatalogi uit de periode 1880-1930 blijkt dat de allereerste Belgische industriële keramische vloertegels eerder eenvoudig te produceren, maar toch ingenieuze decoratieve patronen hebben. Deze zijn opgebouwd op basis van rechthoeken, vierkanten, driehoeken, ruiten, veelhoeken en cirkels. De ontwerpers bereikten er vaak een opvallend effect mee. Dergelijke geometrische patronen waren zeer succesvol, want ze bleven bijna een eeuw lang in de handelscatalogi opgenomen.

Vloertegels met ingewikkelde bloemmotieven en figuren in een grote veelkleurigheid worden aanvankelijk zowel om technische redenen als omwille van de kostprijs eerder sporadisch aangeboden. Vanaf 1880 verruimt het aanbod sterk en domineren stilaan de veelkleurige en drukkere motieven die prachtige tegeltapijten vormden.

Naar de smaak van de klant

Wat stijl betreft is er van in de beginperiode een brede keuze uit motieven in diverse stijlen, zowel neo-Egyptische en Moorse ontwerpen als tegelpatronen in neoclassicisme, neogotiek, neorenaissance en eclectisme. Na 1900 worden daarnaast ook ontwerpen in art nouveaustijl in de catalogi opgenomen en uiteindelijk, na de Eerste Wereldoorlog, ook enkele art decomotieven en vooral meer sobere vloerpatroonvoorstellen zonder echte decortegels of met minimale aanwezigheid van motieftegels.

Sommige stijlen blijken bij grondige bestudering van de catalogi heel wat minder aangeboden te zijn dan andere. Opvallend is ook het feit dat hoewel heel wat motieven voor langere periodes in de Belgische catalogi opgenomen zijn, andere vaak opvallend snel uit het aanbod verdwijnen, onafhankelijk van de stijl waarin ze zijn uitgewerkt. Heel wat motieven komen ook zo goed als identiek, of enkel met kleine variaties in uitwerking van motief en kleurkeuze, in het aanbod van diverse Belgische fabrieken voor. Er was dus slechts zelden exclusiviteit voor de gepresenteerde modellen.

Dat alles heeft uiteraard veel, zo niet alles, te maken met de vraag.

Bijzondere tegeltypes binnen het Belgische aanbod

Een eerste type is de zogenaamde pseudo-mozaïektegel, een motieftegel met een ingelegd decor waarbij in het bovenvlak een raster van verdiepte lijnen is ingeperst. Deze verdiepingen verdelen het bovenvlak in kleine al dan niet onregelmatige vakjes zodat het van op afstand lijkt alsof het gaat om samengelegde losse mozaïeksteentjes of tesserae zoals die in Romeinse vloermozaïeken zijn gebruikt. Het is een techniek die bij Villeroy & Boch in Mettlach werd ontwikkeld na de ontdekking in 1852 van een spectaculaire Romeinse vloermozaïek in het naburige Nennig die onmiddellijk in brede kringen aandacht trok. Het zusterbedrijf Boch Frères nam deze techniek over, zoals ze ook heel beperkt de technieken van lijngravering en verdiept reliëf vanuit het Duitse moederhuis op de Belgische en Franse markt introduceert. Geen van deze drie technieken wordt door andere Belgische of Franse fabrieken op grotere schaal gebruikt. Wellicht speelden er hygiënische en veiligheidsredenen mee. In de verdiepingen kon zich namelijk snel vuil nestelen, terwijl anderzijds het aangebrachte reliëf of de graveringen de sliprisico’s bij natte tegels sterk beperkten.

Mogelijk om de risico’s op vervuiling te beperken, en toch het mozaïekeffect te behouden, vond al snel een afgeleide techniek van de pseudo-mozaïektegel ingang, met name de mozaïekimitatietegel die in de catalogi van alle Belgische keramische vloertegelfabrieken voorkomt. Daarbij gaat het om een ingelegde tegel met volledig glad oppervlak waarbij ter nabootsing van de cementvattingen van mozaïeksteentjes of tesserae dunne donkergrijze lijntjes zijn ingestrooid die samen met de rest van de motieven zijn geperst en ingebakken.

Al deze motieftegels in diverse stijlen en technieken bleven tot in de late jaren 1920 naast elkaar toegepast. Daarna verdwijnen ze bijzonder snel uit het aanbod, al zijn nog enkele motieftegels tot in de jaren 1930 in het aanbod van enkele fabrieken terug te vinden. De redenen daarvoor waren zowel esthetisch als economisch. Op het esthetische vlak waren de meeste motieftegels duidelijk al lang verouderd. Waarom bleven ze dan toch zo lang in het aanbod? Het antwoord op die vraag is te vinden in een korte notitie in een

Duitse handelscatalogus uit 1925 van de Vereinigte Mosaik- u. Wandplattenwerke A.-G. Friedland-Sinzig-Ehrang waaruit duidelijk wordt dat de motieftegels bij deze fabriek uitdrukkelijk enkel in het aanbod werden behouden met het oog op noodzakelijke vervangingen en aanvullingen van bestaande betegelingen.

Een logische beslissing, want de klant was ook toen al koning.