Maaltijdcheques zijn een van de meest voorkomende extralegale voordelen in België. Zolang de cheques voldoen aan de volgende voorwaarden, zijn deze niet onderworpen aan sociale bijdragen en worden deze niet belast bij de persoon die ze krijgt:

  • De maaltijdcheque mag geen vervanging zijn van bezoldiging, premies, voordelen van alle aard of van enig andere vergoeding;
  • De toekenning moet worden afgesproken in een cao, of wanneer een cao niet mogelijk is, via een geschreven individuele overeenkomst;
  • De maaltijdcheques moeten gelijk zijn voor de bedrijfsleiders en alle werknemers van de onderneming;
  • Er wordt 1 maaltijdcheque toegekend per gepresteerde dag;
  • De maaltijdcheques worden op individuele naam afgeleverd;

Indien deze voorwaarden niet vervuld zijn, dan is de cheque volledig belastbaar als loon bij de werknemer en volledig aftrekbaar als beroepskost bij de werkgever.

Maximumbedrag opgetrokken

Daarnaast werd het maximumbedrag van een maaltijdcheque opgetrokken naar € 8 per cheque en de maximale werkgeversbijdrage van € 5,91 naar 6,91. De minimale werknemersbijdrage blijft € 1,09 per cheque.

Vanaf 1 januari 2016 werd niet enkel de papieren versie van de maaltijdcheque afgeschaft, waardoor deze nu enkel nog elektronisch kan verkregen worden, maar werd het fiscaal aftrekbaar bedrag voor de vennootschap opgetrokken van € 1,00 naar € 2,00 per cheque.

maaltijdcheques

Een factuur voor btw-doeleinden is slechts geldig wanneer deze enkele wettelijk verplichte vermeldingen bevat. Een ongeldige factuur brengt het recht op aftrek in gedrang. Wanneer u zelf foutief opgemaakte facturen uitreikt, riskeert u bovendien een administratieve boete van minimaal €25,00 per foutieve factuur (lijst van niet-proportionele geldboeten).

U doet er bijgevolg altijd goed aan uw facturen te controleren alvorens u ze uitstuurt.

De meest voorkomende fout op een ongeldige factuur is het ontbreken van het btw-nummer. Dit nummer begint met de letters “BE”, zoals bijvoorbeeld “BE 0123.456.789”. Een factuur met vermelding van het nummer dat niet wordt voorafgegaan door “BE” is principieel een ongeldige factuur.

De verplichte vermeldingen

Een geldige factuur bevat minstens de volgende wettelijk verplichte vermeldingen:

  • De vermelding “factuur” of “creditnota”;
  • De factuurdatum;
  • Een opeenvolgend en uniek factuurnummer;
  • Naam of maatschappelijke benaming, het juiste adres en het btw-nummer van de leverancier. Indien de leverancier een vennootschap betreft, moet eveneens de vennootschapsvorm, RPR en zetel van de rechtbank waar de vennootschap zetelt op het document worden vermeld;
  • Naam of maatschappelijke benaming, juist adres en het btw-nummer van de klant;
  • De datum waarop de levering of dienst werd voltooid of de datum van ontvangst van de prijs of een deel ervan, wanneer deze verschillen van de factuurdatum;
  • Per btw-tarief de maatstaf van heffing. Dit is het bedrag waarop de btw wordt berekend;
  • Per btw-tarief de eenheidsprijs excl. btw en excl. kortingen indien deze niet in de eenheidsprijs zijn begrepen (maatstaf van heffing);
  • Btw-tarief en het totaal bedrag per btw-tarief;
  • Voldoende gedetailleerde omschrijving van de belastbare handeling met de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten, alsook hun hoeveelheid en het voorwerp van de diensten;
  • Een verwijzing naar het vroeger uitgereikte stuk of stukken indien voor dezelfde handeling meerdere facturen of stukken worden uitgereikt of opgesteld;
  • Vermelding van de wettelijke bepaling bij vrijgestelde handelingen of wanneer de btw niet in rekening wordt gebracht, vb. bij intracommunautaire leveringen, uitvoer, medecontractant, …;
  • Specifieke bepalingen eigen aan de sector, bijvoorbeeld in de garagesector.

Een volledige lijst van wettelijk verplichte factuurvermeldingen vindt u in KB nr. 1 art. 5 W. BTW.

De liquidatiebelasting is niet langer een onbekend fenomeen: de vennootschap betaalt 10% belasting op de aangelegde liquidatiereserve en is bij vereffening geen bijkomende belasting verschuldigd. Wanneer de vennootschap geen liquidatiereserve had aangelegd, was er 27% roerende voorheffing verschuldigd op het resterende actief na betaling van de schulden.

Het onderscheid tussen natuurlijke personen of vennootschappen als aandeelhouder van uw vennootschap zal in de grote meerderheid van de gevallen bepalen of het interessant is om al dan niet een liquidatiereserve aan te leggen.

De roerende voorheffing is immers fiscaal verrekenbaar en terugbetaalbaar tussen vennootschappen, terwijl dit niet het geval is voor natuurlijke personen.Decostere Accountancy

Aard van aandeelhouder bepaalt

Wanneer de aandeelhouders van uw vennootschap andere vennootschappen zijn, vormt de roerende voorheffing bij liquidatie door de verrekenbaarheid geen verloren kost. Daardoor hebben de aandeelhouders van uw vennootschap geen belang bij het aanleggen van een liquidatiereserve in uw vennootschap. De verschuldigde liquidatiebelasting vormt in dit geval een verloren kost.

De situatie is echter anders wanneer de aandeelhouders natuurlijke personen zijn. De roerende voorheffing bij liquidatie is in de personenbelasting niet verrekenbaar. Bijgevolg doet de vennootschap er in dit geval wel goed aan om een liquidatiereserve aan te leggen om het tarief van roerende voorheffing te drukken.

Overgedragen verliezen

Overgedragen verliezen komen bij vereffening in mindering van de voorheen aangelegde liquidatiereserves. In dat geval heeft de vennootschap in de mate dat de verliezen de liquidatiereserve overtreffen, voor niets de liquidatiebelasting betaald. Immers, wanneer de vennootschap geen liquidatiereserve had aangelegd, dan kwamen de overgedragen verliezen in mindering van de gewone belastbare reserves waarop 27% roerende voorheffing verschuldigd is.

De overgedragen verliezen kunnen de vennootschap ook verhinderen om de liquidatiereserve voorafgaand aan de vereffening als dividend uit te keren. Dit is met name het geval wanneer het overgedragen verlies groter is dan som van de liquidatiereserve en alle andere reserves.

Interessant buiten scenario van vereffening?

Bij aanleg van de liquidatiereserve is de vennootschap 10% belasting op de aangelegde liquidatiereserve verschuldigd. Wanneer de reserve binnen 5 jaar na reservering wordt uitgekeerd, is er bijkomend 17% roerende voorheffing verschuldigd, en 5% wanneer de reserve na 5 jaar wordt uitgekeerd.

Volgend cijfervoorbeeld toont aan dat dit toch reeds een besparing geeft op het normale tarief van 27% roerende voorheffing op dividenden:

liquidatiebelasting

Elke BTW-plichtige die periodieke BTW-aangiften indient heeft een rekening-courant bij de BTW-administratie te Brussel. Deze rekening geeft weer of u al dan niet een BTW-schuld of -tegoed heeft. Een BTW-schuld moet altijd ten laatste op de 20ste van de maand volgend op het belastbaar tijdperk worden betaald. Bij niet-tijdige betaling is een wettelijke intrest van 0,8% per maand op de openstaande bedragen verschuldigd.

Naast de wettelijke intrest kan de administratie ook beslissen om een bijzondere rekening op te stellen. Dit is het geval wanneer er geen BTW-aangifte wordt ingediend of wanneer de betaling van de BTW langdurig uitblijft.

Kostprijs van een bijzondere rekening

De bijzondere rekening wordt gecreëerd door de overdracht van het openstaande saldo van uw normale rekening-courant BTW te Brussel naar een nieuwe rekening BTW te Mechelen.

Bij de opmaak van deze rekening is een boete van 15% op de te betalen BTW verschuldigd.Decostere Accountancy

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Naast het opstellen van een bijzondere rekening kan de administratie de bestuurders van een vennootschap of andere rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stellen bij het niet-betalen van de BTW-schuld.

De hoofdelijke aansprakelijkheid kan enkel worden uitgesproken wanneer de administratie kan bewijzen dat de niet-betaling het gevolg is van een fout van de bestuurders in de zin van art. 1382 BW. Bovendien moeten minstens twee eisbare schulden binnen een periode van een jaar niet betaald zijn in het geval van een kwartaalaangever; of minstens drie niet betaalde eisbare schulden voor een maandaangever.

De procedure kan niet worden ingeroepen wanneer de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het starten van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

Statutenfraude is een nieuwe vorm van oplichting bij bedrijven. Concreet laten personen die vreemd zijn aan de onderneming via een valse algemene vergadering een uittreksel van de notulen van de algemene vergadering en/of de Raad van Bestuur van de vennootschap in het Belgisch Staatsblad publiceren, waarin zij als nieuwe zaakvoerder, bestuurder of gedelegeerd bestuurder worden benoemd.

Na publicatie van voormelde benoemingen melden de valse zaakvoerders, bestuurders of gedelegeerd bestuurders zich bij de financiële instelling van de onderneming aan. Van zodra een volmacht voor de bankrekening wordt verkregen, worden overschrijvingen uitgevoerd of gelden afgehaald van de bankrekening van de betrokken onderneming.

Hoe kan u zich beschermen tegen deze fraude?

In het beste geval controleert u regelmatig de publicaties van uw onderneming in het Belgisch Staatsblad. Als ondernemer kan u uw onderneming ook registreren op http://www.wettelijke-publicaties.be, waardoor u onmiddellijk per mail in kennis wordt gesteld wanneer een publicatie van uw onderneming in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad verschijnt.

Wat indien uw onderneming reeds het slachtoffer is van deze fraude?

De onderhandse notulen van de algemene vergadering en/of de Raad van Bestuur waarin een zaakvoerder, bestuurder of gedelegeerd bestuurder wordt benoemd, maar waarbij de algemene vergadering niet geldig is bijeengekomen, is nietig. Wanneer de rechtbank de nietigheid van de benoeming uitspreekt, worden alle rechtsgevolgen van de benoeming ongedaan gemaakt en kan de getroffen onderneming de verloren sommen terugvorderen.

Bij deze fraude stelt zich echter meestal het probleem van de identiteit van de oplichter, waardoor het voor uw onderneming al snel zeer moeilijk wordt een vordering tot teruggaaf van de verloren sommen te eisen.

U doet er altijd best aan om zo snel mogelijk klacht in te dienen bij de politiediensten.

Sinds kort hebben zowel de vennootschapsrechtelijke als de fiscale interpretatie van kleine of grote onderneming enkele wijzigingen ondergaan. Concreet zullen meer vennootschappen met boekjaren vanaf 1 januari 2016 of later vennootschapsrechtelijk en fiscaal als klein beschouwd worden.

Hoewel u waarschijnlijk liever zegt dat uw vennootschap groot is, heeft een vennootschap er alle belang bij om dit niet te zijn. Een kleine vennootschap geniet immers grotere fiscale voordelen.

Belang van groot of klein

Een kleine vennootschap heeft recht op de volgende fiscale voordelen:

  • De bijkomende kosten op investeringen kunnen naar wens worden afgeschreven;
  • Geen pro rata beperking van de afschrijving in het jaar van verkrijging de investering;
  • Verhoging van de notionele intrestaftrek met 0,5%;
  • 120% aftrek op de kosten van beveiliging;
  • Genieten van een investeringsaftrek voor beveiliging;
  • Genieten van een investeringsaftrek voor digitale investeringen vanaf 1/1/2015;
  • Mogelijkheid tot het aanleggen van een belastingvrije investeringsreserve;
  • Geen vermeerderingen bij onvoldoende voorafbetalingen gedurende de eerste drie boekjaren ;
  • Niet onderworpen aan de fairness tax;
  • Kortere houdperiode van de vastgeklikte reserves;
  • Investeringsaftrek van 4% voor investeringen gedaan in 2014 en 2015 (mits verzaking aan de notionele intrestaftrek), 8 % vanaf 1/1/2016;
  • Geen afzonderlijke heffing van 0,412 % op bepaalde meerwaarden op aandelen;
  • Geen vereiste van onderzoekscentrum voor de toepassing van de octrooi – aftrek;
  • Mogelijkheid tot verlaagde roerende voorheffing in geval van inbrengen in geld gedaan na 1 juli 2013;
  • Hogere vrijstelling van doorstorting bedrijfsvoorheffing;
  • Mogelijkheid tot aanleg van een liquidatiereserve;
  • Vanaf 1 juli 2015 komt een startende KMO-vennootschap in aanmerking voor de tax shelter –regeling voor investeringen in aandelen van deze vennootschap alsook voor de fiscale vrijstelling van interesten van bepaalde leningen (crowdfunding) aan startende KMO’s .

Daarnaast moeten kleine vennootschappen hun jaarrekening opmaken volgens een verkort schema, en betalen ze hierdoor lagere kosten voor de neerlegging van de jaarrekening, zijn ze niet verplicht een jaarverslag op te stellen of te publiceren en moeten ze geen commissaris benoemen..

Criteria groot of klein

Onder de huidige regels is de vennootschap automatisch een grote vennootschap wanneer in het laatste en het voorlaatste afgesloten boekjaar meer dan 1 van de onderstaande criteria werden overschreden:

  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50
  • € 7.300.000,00 jaaromzet
  • € 3.650.000,00 balanstotaal

Wanneer het jaargemiddelde van het personeelsbestand 100 of meer personeelsleden bedraagt, is de vennootschap automatisch een grote vennootschap.

Onder de nieuwe regels die van kracht worden op boekjaren die starten vanaf 1 januari 2016 of later is de vennootschap een grote vennootschap indien op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar meer dan 1 van de onderstaande criteria wordt overschreden:

  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50
  • € 9.000.000,00 jaaromzet
  • € 4.500.000,00 balanstotaal

Voortaan is de vennootschap slechts groot vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar waarin minstens 2 van de criteria voor de tweede keer werd overschreden. Het criterium waarbij de vennootschap een jaargemiddelde van 100 personeelsleden heeft, is eveneens weggevallen.

In onderstaande tabel vindt u een vergelijking van de criteria onder de huidige regeling en de regeling die van kracht gaat vanaf 1 januari 2016.

Criteria Huidige regeling Vanaf 2016
Personeelsbestand 50 50
Jaaromzet € 7.300.000,00 € 9.000.000,00
Balanstotaal € 3.650.000,00 € 4.500.000,00

Kleiner dan klein: microvennootschap

Het Wetboek Vennootschappen voorziet tevens in een nieuwe categorie vennootschappen, namelijk de micro – vennootschappen. Deze vennootschappen mogen volgens dezelfde modaliteiten van de kleine vennootschappen niet meer dan 1 van de volgende criteria overschrijden:

  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 10
  • € 700.000,00 jaaromzet
  • € 350.000,00 balanstotaal

De micro – vennootschappen zullen alle voordelen van de kleine vennootschappen genieten en minder toelichting omtrent de resultaten in de jaarrekening moeten opgeven.

Overgangsregeling

Om een snelle inwerkingtreding van de nieuwe regels te bespoedigen, voorziet men in een voordelige overgangsregeling.

De toepassing van de overgangsregeling heeft voor gevolg dat een vennootschap die bijvoorbeeld haar boekjaar start op 1 januari 2016, uitsluitend moet nagaan of zij op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar (31 december 2015) meer dan één van de verhoogde criteria van het nieuwe artikel 15 W.Venn. overschreed.

Het kan dus voorvallen dat de vennootschap op balansdatum 31 december 2015 de drempels overschrijdt op basis van de oude criteria, maar niet op basis van de nieuwe, verhoogde drempels. In dit geval wordt deze vennootschap voor het boekjaar 2016 aangemerkt als een kleine vennootschap.

Voor het daaropvolgende boekjaar, (i.e. het boekjaar dat aanvangt op 1 januari 2017) moet de vennootschap nagaan of zij op balansdatum van de twee voorafgaande boekjaren (2015 en 2016) meer dan één van de verhoogde criteria van het nieuwe artikel 15 W.Venn. overschreden heeft.
Bij een eerste overschrijding van de verhoogde criteria op balansdatum 2016 waarbij voor boekjaar 2015 er geen overschrijding is van de nieuwe drempels, blijft de vennootschap klein voor het boekjaar 2017, aangezien dan terug de algemene regel geldt dat het overschrijden van meer dan één van de criteria slechts gevolgen heeft wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet.

Speciale gevallen: verbonden ondernemingen

Waar voorheen de bovenstaande grenzen op geconsolideerde basis moesten worden bekeken, is dit onder de nieuwe regelgeving enkel nog maar in twee specifieke situaties het geval. Dit wanneer de vennootschap een “moedervennootschap” is of wanneer de vennootschap deel uitmaakt van een “consortium”.

Er wordt in een vereenvoudiging voorzien om te vermijden dat een vennootschap in grensgevallen eerst moet consolideren om te weten of ze de geconsolideerde criteria overschrijdt. In plaats van een boekhoudkundige consolidatie door te voeren, waarbij de gemeenschappelijke intercompany resultaten en balansbestanddelen worden afgetrokken van het groepsresultaat, bestaat nu ook de mogelijkheid om de resultaten en balanstotalen van de individuele vennootschappen op te tellen. Om tegemoet te komen aan de verhoogde resultaten die daardoor ontstaan, mogen de criteria inzake omzet en balanstotaal in dat geval verhoogd worden met 20%.

Fiscale impact

Voor de beoordeling van de overschrijding van de criteria wordt er vennootschapsrechtelijk enkel geconsolideerd in hoofde van de moedervennootschappen, en niet in hoofde van de dochtervennootschappen.

Fiscaalrechtelijk wordt van dit principe afgeweken, waardoor voor dochtervennootschappen de criteria van het nieuwe artikel 15 nog steeds op geconsolideerde basis toegepast moeten worden. Op deze manier kunnen de individuele dochtervennootschappen fiscaal sneller als groot beschouwd worden dan dit vennootschapsrechtelijk het geval zou zijn.

Bijgevolg is het mogelijk dat een vennootschap een verkort schema van de jaarrekening mag neerleggen, omdat zij vennootschapsrechtelijk als klein beschouwd wordt terwijl voor de fiscale wetgeving deze vennootschap als een grote vennootschap wordt beschouwd en bijgevolg niet kan genieten van de fiscale voordelen van een KMO-vennootschap.

Startende ondernemingen, zijnde rechtspersonen en eenmanszaken die sinds minder dan 48 maanden ingeschreven zijn in de KBO, kunnen sinds 1 augustus 2015 een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing verkrijgen. Deze vrijstelling geldt totdat de termijn van 48 maanden bereikt is.

De vrijstelling geldt bijgevolg enkel voor bezoldigingen die tijdens de eerste 48 maanden volgend op de inschrijving in de KBO worden uitbetaald. In het geval waarbij een eenmanszaak wordt omgevormd naar een vennootschap moet de datum van inschrijving van de eenmanszaak in aanmerking worden genomen. In een ander geval, waarbij een nieuwe onderneming wordt opgericht om een bestaande onderneming over te nemen, geldt de datum van inschrijving van de reeds bestaande onderneming voor de berekening van de 48 maanden.

De vrijstelling bedraagt 10% op de ingehouden bedrijfsvoorheffing voor kleine ondernemingen, en 20% voor micro – ondernemingen (zie eveneens de gewijzigde criteria voor KMO – en micro – ondernemingen). Grote ondernemingen zijn onmiddellijk uitgesloten van de vrijstelling. Daarbij is de vrijstelling combineerbaar met andere vrijstellingen zoals de vrijstelling voor gepresteerde overuren of voor nacht – en ploegenarbeid.

Formaliteiten

De vrijstelling kan bekomen worden door naast de gewone aangifte, een tweede, negatieve aangifte in de bedrijfsvoorheffing in te dienen. Deze tweede aangifte heeft enkel betrekking op de bezoldigingen en bedrijfsvoorheffing van de werknemers waarvoor een vrijstelling wordt toegepast.

De aangifte moet ingediend worden met de code 60 voor kleine ondernemingen (vrijstelling voor 10%) en code 61 voor micro – ondernemingen (vrijstelling voor 20%). Daarnaast moet in het vak verschuldigde bedrijfsvoorheffing een negatief bedrag ingevuld worden dat overeenkomt met het bedrag aan niet door te storten bedrijfsvoorheffing.

Uitsluitingen van de gedeeltelijke vrijstelling

Bedrijfsleiders kunnen niet genieten van de vrijstelling, ook niet wanneer ze tegelijkertijd als werknemer bezoldigingen ontvangen. Het attractiebeginsel bepaalt immers dat alle bezoldigingen die een bedrijfsleider ontvangt, hetzij als werknemer of bedrijfsleider, als bedrijfsleidersbezoldigingen beschouwd worden.

Ondernemingen die zich in financiële moeilijkheden bevinden, kunnen evenmin genieten van de vrijstelling. Dit is het geval wanneer de onderneming zich in een faillissementsprocedure bevindt, wanneer het beheer van het actief geheel of ten dele aan de onderneming is ontnomen, of nog, wanneer de onderneming in een WCO – procedure verwikkeld is.

Vanaf 1/01/2016 kan een nieuwe werkgever voor de aanwerving van de eerste werknemer een volledige vrijstelling van de basiswerkgeversbijdrage RSZ verkrijgen. Daarvoor moet de aanwerving tussen 1/01/2016 en 31/12/2020 plaatsvinden. De vrijstelling is levenslang verworven.

Een nieuwe werkgever is een werkgever die:

  • Ofwel nog nooit onderworpen geweest is aan de RSZ – wet voor de tewerkstelling van een werknemer;
  • Ofwel sinds ten minste 4 opeenvolgende kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van indienstneming van een eerste werknemer, niet onderworpen is geweest aan de RSZ – wet voor de tewerkstelling van een werknemer.

Opgelet voor deze gevallen

De vrijstelling wordt niet verleend wanneer de nieuwe werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de 4 kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam was. De vrijstelling geldt enkel voor de basiswerkgeversbijdrage RSZ en heeft geen betrekking op bijzondere bijdragen of door de sector opgelegde bijkomende bijdragen.

De doelgroepvermindering voor eerste aanwervingen vanaf 1 januari 2016 bedraagt:

Kwartaal 1 – 5 Kwartaal 6 – 9 Kwartaal 10 – 13
1e werknemer volledige vrijstelling basisbijdragen (onbepaalde duur)
2e werknemer 1 550,00 1 050,00 450,00
3e werknemer 1 050,00 450,00 450,00
4e werknemer 1 050,00 450,00 0,00
5e werknemer 1 000,00 400,00 0,00
6e werknemer 1 000,00 400,00 0,00

Aanwerving eerste werknemer in 2015

Indien de aanwerving van de eerste werknemer dateert uit 2015, heeft de werkgever eveneens recht op een vermindering van werkgeversbijdrage RSZ. Deze vermindering is evenwel beperkt tot maximaal 13 kwartalen. Vanaf 2016 mogen voor deze werkgeversbijdragen de verhoogde verminderingsbedragen toegepast worden voor de nog resterende kwartalen.

Aanwerving 2e tot 5e werknemer in 2015

Werkgevers kunnen eveneens een vermindering van patronale bijdragen genieten voor de 2e tot 5e werknemer die in 2015 in dienst kwam, wanneer voor deze werknemers in 2015 reeds een doelgroepvermindering lopende was. Vanaf 2016 gelden voor deze werknemers eveneens de verhoogde doelgroepverminderingen, maar enkel voor het nog resterende aantal kwartalen waarop ze nog recht hadden voor 1 januari 2016.

Aanwerving 6e werknemer in 2016

Wanneer de 6e werknemer na 31 december 2015 werd aangeworven, kan de werkgever voor deze werknemer eveneens een vermindering van patronale bijdragen verkrijgen. De voorwaarde is echter dat de werkgever sedert ten minste 4 opeenvolgende kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van indienstneming van de 6e werknemer, niet mag onderworpen geweest zijn aan de RSZ – wet voor de tewerkstelling van meer dan 5 werknemers.

Digitale investeringen op til in uw KMO? Dankzij de verhoogde investeringsaftrek voor digitale investeringen kunnen KMO’s van een fiscaal voordeel genieten. Deze investeringsaftrek is een eenmalige aftrek van 13,5% van de aanschaffingswaarden van de investering. Met deze maatregel wil de overheid KMO’s nog meer stimuleren om digitale investeringen te doen, bijvoorbeeld in e-commerce.

Investeringen die in aanmerking komen

1. Investeringen in e-commerce en meer bepaald in software of apparatuur die:

    • de elektronische betaling vergemakkelijken,
    • dienen voor elektronische facturatie, handtekening of archivering.

2. Investeringen in cybersecurity:

    • systemen voor de beveiliging van informatie, netwerken en ICT-installaties,
    • monitoring- en auditinstrumenten voor de beveiligingssystemen van ICT,
    • software of apparatuur die een veiliger beheer van de door de onderneming verzamelde persoonsgegevens mogelijk maken.

3. Aanvullende investeringen die nuttig zijn bij de invoering van één van bovenstaande investeringen:

    • de kosten voor softwareontwikkeling die verband houden met punten 1 en 2 (en hiermee samen worden afgeschreven),
    • investeringen die de interfacing met andere systemen van de onderneming of systemen buiten de onderneming mogelijk maken.

QUOTE: De verhoogde investeringsaftrek geldt zowel voor eenmanszaken als voor KMO-vennootschappen (die voldoen aan de criteria “kleine” vennootschap van het vennootschapsrecht). De verhoogde investeringsaftrek voor digitale investeringen bedraagt 13,5 % van de aanschaffingswaarde van de investering. Het gaat daarbij altijd om een eenmalige aftrek; keuze voor een gespreide aftrek is niet mogelijk.

Attest op factuur verplicht

Om van deze verhoogde aftrek te kunnen genieten moet nog aan een belangrijke formaliteit worden voldaan. Meer bepaald moet de leverancier van de investeringen attesteren dat deze voldoen aan de voorwaarden voor de aftrek. De volgende formule moet op de factuur of op een bijlage bij de factuur staan:

QUOTE:“Verklaring met toepassing van artikel 49/1 van het KB/WIB 1992 betreffende de investeringsaftrek voor digitale investeringen (bedoeld in artikel 69, § 1, eerste lid, 2° punt f) van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 : Ik, ondergetekende …….. bevestig dat ………. (per categorie van investering de vermeldingen overnemen die worden opgelegd door bijlage II ter/ 1 KB/WIB 92). Datum, naam, handtekening”.

Opgelet!

Wanneer de factuur of de bijlage ervan deze vermelding niet bevat, wat doorgaans het geval zal zijn bij digitale investeringen in 2015, dan moet dit attest nog bij de leverancier worden opgevraagd. Voor investeringen vanaf 01/01/2015 tot heden moet dit attest wel ten laatste op 31/03/2015 in uw bezit zijn.

Voorbeeld

Een KMO koopt in 2015 elektronische betaalterminals aan die de elektronische betaling in haar winkels moet toelaten, voor een bedrag van €25.000. De investeringsaftrek bedraagt dan 25.000 x 13,5% = 3.375 EUR. Berekend aan het standaardtarief bedraagt het belastingvoordeel voor de onderneming dan 1.147,16 EUR (=3.375 x 33,99%) of 4,6% van de totale investering.

Voor wie, wanneer en hoeveel?

  • De algemene voorwaarden voor de investeringsaftrek zijn ook hier van toepassing: het moet gaan om nieuwe activa, en deze moeten afgeschreven worden over ten minste 3 jaar.
  • In tegenstelling tot de “gewone” investeringsaftrek, is deze verhoogde investeringsaftrek voor digitale investeringen combineerbaar met de notionele intrestaftrek.
  • De verhoogde investeringsaftrek is van toepassing vanaf aanslagjaar 2016; dus reeds voor investeringen van het jaar 2015 voor wie zijn boekhouding afsluit per 31 december.

Het is genoegzaam bekend dat renovatiewerken aan onroerende goederen kunnen gebeuren aan het verlaagd BTW-tarief van 6% mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan:

  • Het moet gaan om werkzaamheden aan woningen zoals herstelling, onderhoud, renovatie, verbetering …
  • De woning moet uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor private bewoning
  • Er moet voldaan zijn aan de “ouderdomsvereiste”
  • De eindgebruiker, aan wie gefactureerd wordt, moet attesteren dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

Vanaf 1 januari 2016 wijzigt de derde voorwaarde, met name de ouderdomsvereiste.

Tot eind dit jaar bedraagt de ouderdomsvereiste van de woning, om te kunnen factureren tegen 6% BTW, vijf jaar. Vanaf 01.01.16 wordt deze termijn op tien jaar gebracht.

Voor woningen die nu reeds vijf jaar in gebruik zijn, maar volgend jaar nog geen tien jaar, is het interessant om de werkzaamheden alsnog uit te voeren in 2015 in plaats van in 2016.

BTW: verhoging drempel vrijstellingsregeling

De vrijstellingsregeling bestaat erin dat de belastingplichtigen die de drempel niet overschrijden de vrijstelling van btw genieten voor hun uitgaande handelingen en dit zonder recht op aftrek van de btw op hun inkomende handelingen.

Sedert 01/04/2014 bedraagt de drempel voor de toepassing van de vrijstellingsregeling 15.000 euro.

Op datum van 04/09/2015 heeft de regering een wetsontwerp ingediend waarbij de drempel voor de vrijstellingsregeling wordt verhoogd van 15.000 euro naar 25.000 euro.

Hiervoor moet België nog haar toestemming verkrijgen van Europa.

Als de Raad (van Europa) ermee instemt, zal deze wijziging volgens de minister op 01/01/2016 van kracht worden.